Krijg je goede burgers van burgerschapsonderwijs?

Inleiding

Regelmatig vraag ik me af in hoeverre wij als maatschappij iets kunnen veranderen aan de verharding en de afnemende tolerantie naar medeburgers of burgers uit andere landen die hier een veilige haven zoeken. En hoe wij met de uitdagingen om zullen gaan als gevolg van de technocratisering. Is onze maatschappij in staat om creatieve oplossingen te bedenken voor deze ontwikkelingen en andere vraagstukken, zoals de opwarming van de aarde? En hoe bereiken we dat?

Ik denk dat opvoeding een grote rol kan spelen. Opvoeding van ouders die hun kinderen leren hoe je met elkaar een prettige samenleving creëert. En hoe je door gezamenlijk nadenken en overleggen oplossingen kunt vinden voor uitdagingen.

Daarnaast speelt ook de overheid in mijn ogen een rol bij de opvoeding van burgers. Een overheid die alle betrokkenen in het onderwijs stimuleert om een toekomstige generatie op te leiden tot kritische, zelfstandig denkende burgers met oog voor de samenleving. Burgers die kunnen omgaan met de problemen die we als maatschappij nu en in de toekomst moeten oplossen. Zowel op micro- als macroniveau.

Dit vraagt om breder onderwijs dan de standaard vakken als rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Burgerschapsonderwijs kan, denk ik, een belangrijke rol spelen bij het opvoeden van goede burgers. Onder goede burgers versta ik mensen die begrijpen wat onze democratie inhoudt en zich daarvoor willen inzetten, op kleine of grotere schaal, mensen die oog hebben voor elkaar en de problemen van onze tijd. Ik wil onderzoeken in hoeverre deze aanname al dan niet gedeeld wordt door een aantal filosofen door de eeuwen heen.

De uitgangsvraag in dit betoog is:

Krijg je goede burgers door burgerschapsonderwijs?

Een groot aantal filosofen heeft nagedacht over een ‘ideale staat’ en de rol die burgers daarin hebben. Aan de hand van een aantal van deze filosofen wil ik nagaan:

  1. Wat een ‘goede’ burger is.
  2. Welke factoren belangrijk zijn voor het opvoeden van goede burgers.
  3. Of burgerschapsonderwijs een rol speelt bij goed burgerschap.

Ik beperk me tot de rol van overheid als opvoeder en laat andere opvoeders buiten beschouwing. Voor de leesbaarheid schrijf ik uitsluitend in de ‘hij-vorm’.

  1. Wat is een goede burger?

 Door de eeuwen heen zijn de ideeën over wat iemand een goed mens maakt, en de rol die zo’n goed mens speelt in de maatschappij, veranderd. Welke ideeën hadden de gekozen filosofen over ‘goede burgers’? En hoe verhouden deze ideeën zich tot elkaar?

Bij Plato konden burgers niet zonder staat, maar kon de staat ook niet zonder de burgers. Er was een wederzijdse afhankelijkheid, maar geen gelijkheid. In de ogen van Plato zou de staat almachtig moeten zijn. Dit was gebaseerd op het idee dat hoe je de samenleving inricht, afhankelijk is van het doel van het bestaan: namelijk ‘het goede’ nastreven. En uit een goede en rechtvaardige samenleving volgt de juiste opvoeding.

Voor Thomas van Aquino was de mens een ‘zooion politikon’, oftewel een sociaal wezen. Daarvoor was een ingerichte maatschappij belangrijk die, net als bij Plato, zou zorgdragen voor het algemeen welzijn. Bij Thomas van Aquino werd dit niet tot stand gebracht door een onderverdeling in kasten, maar door regels en wetten die het algemene belang zouden dienen.

Dit veranderde tijdens de Renaissance en de Verlichting. Tot dan toe had God een belangrijke rol bij hoe de staat ingericht werd om het ‘goede’ na te streven. Bij Thomas Hobbes kwam een meer individueel belang in zicht. God stond wat hem betreft los van de staat en het individu. Dit individu, dat net als Plato ook vanuit zijn natuur handelde, was echter een egoïst. Omdat deze egoïsten hier ook naar handelden, mondde dit uit in een ‘oorlog van allen tegen allen’[i]. Dat was echter onbevredigend voor de mensen, want het borgde geen veiligheid en zekerheid. Dus was er een overkoepelende macht nodig. Een staat die, onder andere, zou moeten bepalen wat recht en onrecht was en goed en fout. In de context van dit betoog is het belangrijk dat het individu hier een meer prominente rol krijgt.

Dit zie je ook terug in de essays van Michel de Montaigne, die schreef vanuit het ik-perspectief. Dit veranderende perspectief is voor mij van belang bij de vraag wat een goede burger is, omdat de burger nu zelf ook begon na te denken over zijn rol in de samenleving. Montaigne schreef hierover: “Zijn gedrag moet in harmonie zijn met de heersende gebruiken. Hij moet alles kunnen doen, maar slechts het goede willen doen.”[ii] Een verschil is dat het hier niet alleen gaat om datgene dat ‘moet’ van de staat, maar ook om het idee dat iemand het ook moet ‘willen’.

Bij Rousseau zien we dit terug en hij gaat nog een stapje verder. De natuur, die bij een aantal genoemde filosofen een rol speelt, is voor Rousseau de belangrijkste leermeester om een goede burger te maken. De maatschappij zou een leerling zelfs kunnen bederven.

Een filosoof die het hier helemaal niet mee eens is, is Charles Taylor. Hij is een communitarist, die vindt dat de maatschappij je als individu juist in belangrijke mate vormt. Je hebt de ander(-en) nodig. Waar tijdens de Verlichting het belang van het individu een centralere plaats kreeg, is de gedachte van Taylor juist dat de gemeenschap centraal staat en niet het individu.

John Dewey is het hier in zekere zin mee eens, hoewel hij het ook verbindt met het leren leven in een democratie: je moet als individu -vanaf jonge leeftijd- ervaren wat het is om in een (democratische) gemeenschap te leven, zodat je leert hoe dit werkt. Doordat je kennis en vaardigheden hebt opgedaan met betrekking tot een goede gemeenschap, word je een betere burger.

Wat valt op?

Voor de uitgangsvraag is het interessant om te zien dat er door de tijd heen verschillende ideeën zijn geformuleerd over wat een goede burger is en hoe je een goede burger krijgt. De staat is almachtig of speelt in mindere mate een rol (of geen enkele, wat Rousseau betreft), maar is wel belangrijk bij het vaststellen wat een goede burger is. Begrippen als ‘deugd’, het ‘goede’ en ‘rechtvaardigheid’ worden gebruikt als goede burgers worden omschreven.

Het individu wordt in de loop der eeuwen belangrijker, hoewel ook de burger als onderdeel van de samenleving niet in belang afneemt. Wel de rol van de staat als absolute macht, zoals in de ‘Ideale Staat’ van Plato en bij Hobbes. Tijdens de Verlichting en daarna is niet alleen de rol van de staat van belang bij een goede burger, maar ook de vorming van de burger, zodat een burger niet alleen doet wat moet, maar dit ook zelf wil.

 

  1. Welke factoren zijn belangrijk voor het opvoeden van goede burgers?

Plato omschreef in zijn ‘Ideale staat’ een bijna levenslang durend opleidingstraject, waarbij uiteindelijk iedereen ging doen waar hij goed in was. Het uitgangspunt was een democratisch principe: namelijk dat de staat iedereen dezelfde mogelijkheden moet bieden. De rol van de staat was groot: het opleidingstraject zou door de staat aangeboden moeten worden. Voor Plato was het uitgangspunt dat teveel vrijheid van de burgers voor ellende zou zorgen: “Zo slaat een overmaat aan vrijheid kennelijk juist in een overmaat aan onderdrukking om, zowel in het individu als in de maatschappij.”[iii] De studie van de burgers kon tot het 50ste levensjaar duren voor diegenen die niet afvielen, met als laatste 15 jaar leren door levenservaring. De burgers waren onderdeel van de staat, waar ze tot aan hun dood bleven doen waarin ze waren ingedeeld in klassen, op basis van de resultaten van hun lange leerlijn.

Thomas van Aquino vond dat de staat verantwoordelijk was om burgers ertoe te zetten om rechtvaardig en deugdzaam te leven, want “een mens kan onmogelijk goed zijn, zonder een goede verhouding tot het algemeen welzijn.”[iv] De relatie tussen burger en de maatschappij was voor hem belangrijk; als burger kun je alleen goed zijn als je niet alleen je eigen individuele belangen nastreeft, maar ook die van anderen.

De Montaigne vond dat je kon leren en inzichten kon verkrijgen door met mensen om te gaan. Dit vond hij ook bevorderlijk voor een goed wereldbeeld: “Wij allen zijn in onszelf opgesloten, staan onszelf in de weg en zien niet verder dan onze neus lang is. Socrates werd wel eens gevraagd waar hij vandaan kwam. Hij antwoordde niet: ‘Van Athene’, maar: ‘Van de wereld.’ Hij breidde zijn kennissen tot de hele mensheid uit.”[v]

Rousseau vond dat een kind moet worden opgevoed zónder invloed van de staat, maar -ook letterlijk- in de natuur, om zijn ware natuur te ontdekken. Net als Plato vond hij dat je deze ware natuur als mens al in je hebt en deze door ontwikkeling kunt ontplooien. Ook De Montaigne had het idee dat je door daden -en niet zozeer door studie-, het goede leven kon leren leiden. En volgens Dewey leveren de eigen inzichten en krachten van een kind het materiaal dat het startpunt vormt voor alle opvoeding.

Dewey vindt net als Plato dat je ook door ervaring moet leren, maar bij Dewey moet je daar al meteen mee beginnen (en niet op je 35ste). Zijn ideeën over de rol van onderwijs bij het opvoeden van goede burgers, gaan met name over burgers die in een democratie leven, want, zegt Dewey, de opvoeding in een totalitaire staat vraagt iets anders van de leerling. Kinderen moeten al op jonge leeftijd leren hoe het is om in een democratie te leven. Niet zozeer door staatskunde en andere kennis over de staat, maar door van de school zelf een democratische gemeenschap te maken. Daarnaast moeten kinderen zelfsturing leren, omdat kinderen niet voor te bereiden zijn op specifieke omstandigheden of problemen.

Wat valt op?

De filosofen hebben verschillende ideeën bij wat belangrijk is bij het opvoeden van goede burgers. Alleen wat Rousseau betreft speelt de staat nadrukkelijk géén rol bij het opvoeden van goede burgers, integendeel zelfs. Bij De Montaigne lag de nadruk meer op de daden dan op studie. Ook de andere filosofen vinden het belangrijk dat burgers ‘goede burgers’ worden. De manier waarop verschilt.

Bij Plato is het opleidingstraject tot in detail beschreven, bij Thomas van Aquino kwam vooral het belang van de relatie tussen burger en maatschappij naar voren. De Montaigne benadrukte het belang van het krijgen van inzichten door intermenselijk contact, bij voorkeur heel breed georiënteerd, een vorm van wereldburgerschap, eigenlijk. Dewey heeft uitgebreid beschreven hoe je goede burgers opvoedt in een democratische samenleving.

Hoewel verschillend, lijken alle genoemde factoren mij belangrijk bij het vormen van goede burgers. Het valt me op dat het een breed palet is, met vanuit elk perspectief een interessante aanvulling. Maar gaat het alleen om burgerschapsvorming, of de vorming van een ‘goed mens’?

 

  1. Van burger naar mens…

Bij het schrijven van dit betoog kreeg ik steeds meer moeite met het begrip ‘burger’. Dit bracht mij tot het voortschrijdende inzicht dat ik tot nu toe wel steeds de term ‘goede burger’ gebruik, maar ik eigenlijk een ‘goed mens’ bedoel. Dus ik vraag me nu af in hoeverre burgerschapsonderwijs niet eerder een rol zou moeten spelen bij het vormen van ‘goede mensen’, in plaats van ‘goede burgers’. Bij burgers denk ik met name aan hoe mensen zich verhouden tot de staat, het land waar zij in leven en de staatsvorm die het heeft. Maar in de praktijk speelt ook de individuele ontwikkeling van de mens een grote rol speelt bij hoe hij zich verhoudt tot zijn omgeving en dus ook het land waarin hij woont.

 

  1. …en van mens naar burger

Volgens de genoemde filosofen zou een mens verschillende vaardigheden moeten leren. Een mens zou moeten leren handelen in het algemene belang, een mens zou zijn blik moeten verbreden voor het kunnen vormen van een wereldbeeld, de mens kan de maatschappij gebruiken om zichzelf te vormen. Het doel: een mens kan leren om ‘goed’ en ‘rechtvaardig’ te leven, wat de samenleving als geheel ten goede komt.

Bij een deel van de filosofen die voorbij kwamen, speelde (burgerschaps-)onderwijs nog niet de rol die het nu speelt. Aanvankelijk heerste de gedachte dat filosofen ervan uitgingen dat ‘de natuur’ (van de mens) ervoor ging zorgen dat het goede zich vanzelf zou manifesteren, al dan niet na beïnvloeding (opvoeding of sturing) van de staat. Dit was niet genoeg, zoals Dewey het verwoordt: “Alles alleen maar aan de natuur overlaten betekende toch een ontkenning van het hele idee van opvoeding; men gaf zich dan over aan het toeval van de omstandigheden.”[vi]

Onder meer dit inzicht leidde ertoe dat er openbaar onderwijs ontstond, waarin ook burgerschap een rol ging spelen. Daarin stond echter niet het vormen van ‘de mens’ centraal, maar het vormen van ‘de burger’. Met burgerschapsonderwijs kun je ‘de burger’ sturen om een ‘goede en rechtvaardige burger’ te worden. En door ze kennis op te laten doen over staatskunde en over wat de normen en waarden van de staat zijn. Het kan echter ook een andere kant op gaan: je kunt burgers met burgerschapsonderwijs ook sturen richting thema’s die je als leiders belangrijk vindt, zoals in het Duitsland van na de Napoleontische veroveringen, waar het aanleren van discipline een belangrijk onderdeel werd van het burgerschapsonderwijs.[vii]

 

  1. Speelt burgerschapsonderwijs een rol bij goed burgerschap?

Dit spanningsveld gaf mij een nieuw inzicht, namelijk dat als je burgerschaps-onderwijs specifiek richt op ‘goed burgerschap’, dit ook versmallend kan werken naar de mens toe. Plato vond juist dat het nodig was om individuen te beteugelen. Terwijl mijn eerdere overtuiging was dat burgerschapsonderwijs de staat én burgers alleen maar ten goede zou komen en een positieve bijdrage zou leveren aan hun ontwikkeling. De nieuwe vraag bij deze paragraaf wordt dan ook aangepast naar:

Speelt burgerschapsonderwijs een rol bij de ontwikkeling tot ‘goed mens’?

Met het idee van Rousseau om de staat verre te houden van de opvoeding ben ik het niet eens, al las ik in een voetnoot van Dewey dat hij op intellectueel vlak juist ageerde tegen de gevestigde orde, omdat die noch de burger, noch de mens vormde.[viii] Daar kan ik me juist in vinden; dat burgerschapsonderwijs de mens zou moeten vormen. Door voortschrijdend inzicht vind ik nu dat minder focus zou moeten liggen op het vormen van ‘de burger’ en meer op de vorming van een ‘goed mens’.

Ik geloof in een school als vorm van gemeenschapsleven, het opdoen van praktijkervaring en niet alleen informatie geven. Dewey brengt dit mooi onder woorden in het volgende citaat: “Het punt is dat de mate waarin en de wijze waarop een schoolvak de leerling tot bewustzijn van zijn maatschappelijke omgeving brengt en hem voorziet van de competenties om zijn eigen krachten te interpreteren in het licht van hun mogelijkheden in het maatschappelijk verkeer het uiteindelijke en samenbindende criterium is.”[ix] Empowerment van de leerlingen dus.

De filosofen dachten ook na over hoe zij het goede in de mensen konden stimuleren door te pleiten voor andersoortige vakken als onderdeel van burgerschapsonderwijs. Bij Plato waren sport en muziek onderdeel van de opleiding, met als doel om het lichaam te trainen voor moed en kracht en de ziel te trainen voor mildheid en zachtheid. Deze combinatie zou leiden tot een harmonisch en evenwichtig karakter.[x] Daarnaast stond dialectiek op het programma: een vaardigheid die de huidige maatschappij goed kan gebruiken. Leren in en van de natuur is ook in deze tijd een goed idee. En leren hoe de wereld in elkaar zit, waar Hobbes en Dewey voor pleitten: niet alleen democratische waarden zijn van belang, ook sociale en volgens Dewey daarnaast economische. Dewey vond culturele vakken bovendien belangrijk.

Kortom: alle filosofen hebben aspecten genoemd om mensen te empoweren en die in mijn ogen niet zouden mogen ontbreken in het onderwijs. De vraag is of het allemaal onder burgerschapsonderwijs moet vallen, maar ze verdienen allemaal een plekje in het curriculum.

 

  1. Conclusie

Mijn uitgangsvraag was: krijg je goede burgers door burgerschapsonderwijs? Het antwoord is ja en nee.

Scholen vinden de opdracht om burgerschapsonderwijs op te nemen in het curriculum onduidelijk. Scholen doen ‘iets’ aan burgerschapsonderwijs, bewust of niet en vaak slechts een paar momenten per schooljaar. Dit stond in een rapport van de onderwijsinspectie[xi] begin dit jaar.

Dat de opdracht onduidelijk is, kan ik me niet alleen voorstellen, maar na dit betoog ook beter begrijpen. Want de ideeën over wat hoort bij goed burgerschap lopen nogal uiteen, terwijl ze tegelijkertijd allemaal aanspreken als onderdeel van het empoweren van mensen. Dus ja, burgerschapsonderwijs kan bijdragen aan een ‘goede burger’.

Toch denk ik dat het burgerschapsonderwijs van de toekomst ingezet moet worden met als insteek om ‘goede mensen’ te vormen. Met ‘goede mensen’ vind ik het mensbeeld van Plato te beperkt, omdat daar onvoldoende ruimte is voor individualiteit.

Ik vind de opvatting van Taylor interessant, omdat hij -net als Plato- de gemeenschap belangrijk vindt, maar wel vanuit de gedachte dat de gemeenschap het individu helpt vormen (en vice versa). Ik vraag me af hoeveel ruimte er is voor de ontwikkeling van een individu dat, via sub groeperingen bijvoorbeeld, meer los staat van de maatschappij. Ik weet uit eigen ervaring -tijdens een jaar in een commune in Israël- dat het egoïstische mensbeeld van Hobbes ook in zo’n commune uiteindelijk boven kan komen drijven. Dus ook andere drijfveren spelen een rol.

Dewey komt het dichtst bij mijn ideaal: vanuit intrinsieke motivatie -al dan niet door praktijkervaring- ontwikkel je je tot een betrokken individu, of niet. Maar iedere groep, wel of niet betrokken bij het grotere geheel, of -zoals Thomas van Aquino het noemt- het algemeen welzijn, heeft toch gedeelde behoeften, zoals Hobbes veiligheid en zekerheid noemt. Dus in die gemeenschappelijke behoeften kunnen groepen elkaar toch weer vinden.

Het antwoord op de uitgangsvraag is ook ‘nee’. Want het gaat niet om de ‘goede burger’, maar om de ‘goede mens’. Wellicht moeten we burgerschapsonderwijs vervangen door ‘bildungsonderwijs’. Of liever maken we een ommezwaai in ons onderwijs. Meer focus op identiteitsvorming, sociale vaardigheden, kritisch denken, probleemoplossend vermogen etc., als geïntegreerd onderdeel van het curriculum.

Ik pleit ook voor meer ruimte voor diversiteit en het individu. En meer ‘agree to disagree’ in deze tijd van wij-zij-denken. Toen burgerschapsonderwijs in Europa werd vormgegeven voor ‘de burger’, lag de focus van het onderwijs op discipline in plaats van persoonlijke ontwikkeling. Dit is nog steeds merkbaar in het resultaatgerichte onderwijs van nu. Laat de focus weer meer gaan liggen op persoonlijke ontwikkeling, tot een ‘goed mens’ door maatschappelijke verbreding (voorbij de landsgrenzen) en op het opvoeden van een nieuwe generatie die vanuit zijn goed ontwikkelde kritische denkvaardigheden en probleemoplossend vermogen de vraagstukken van de toekomst aan kan. Een mens dat niet is opgevoed voor nu, maar is opgevoed voor morgen.

 

Literatuurlijst

Berding, J. (2011), John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap, een keuze uit zijn werk. Amsterdam: Uitgeverij SWP

Bundel (2005), Filosofie, De vroegmoderne tijd (17e en 18e eeuw): Descartes, Spinoza, Rousseau. Company of Books

Montaigne, M. de (2012), De essays. Amsterdam: Athenaeum-Polak & van Gennep

Nussbaum, M. (2013), Niet voor de winst. Amsterdam: Ambo|Anthos

Slagter, M., & Slagter, S. (2015), Leren Filosoferen. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff

Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie

Websites

Onderwijsinspectie (2017), Rapport over burgerschapsonderwijs en de maatschappelijke stage. https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2017/02/07/burgerschap-op-school

Noten

[i]Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 317

[ii] Montaigne, M. de (2012) De Essays. Blz. 211

[iii] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 176

[iv] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz 280 verwijzing naar voetnoot 32, blz. 828

[v] Essays, blz 199

[vi] Berding, J. (2011), John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz. 206

[vii] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz 206

[viii] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz 206

[ix] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz. 53

[x] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 177

[xi] Onderwijsinspectie (2017), Rapport over burgerschapsonderwijs en de maatschappelijke stage.

Wat kun je zeker weten?

wat kun je zeker weten?

De  kinderen uit groep 5 dachten na over de vraag wat je allemaal zeker kunt weten. Een filosofisch vraagstuk, omdat je bij alles je twijfels kunt hebben. Een paar kinderen wisten bijvoorbeeld zeker dat de aarde rond is. Want ze hadden een foto gezien. Als startpunt hadden we echter een foto bekeken van de Hubble die een smiley had gefotografeerd, waarbij de meeste kinderen vonden dat deze moest zijn gefotoshopt.

Kon die foto van de aarde niet ook zijn gemanipuleerd? Had íemand van ons wel eens in een raket gezeten en de aarde met eigen ogen van een afstand bekeken? En toen deze juf een pen op de grond legde, begon deze niet te rollen. Als de aarde rond was, dan zou dat toch zeker moeten?

De les zat niet alleen in de vraag, maar ook in het blijven bedenken van argumenten die steeds opnieuw weerlegd werden door de groep. Sommige kinderen voelden dat aanvankelijk als een afwijzing van hun gedachten. Toen we echter door bleven denken en bij alles vraagtekens plaatsten, uiteraard met de nodige humor én met daarbij de toelichting dat dit is wat filosofen ook doen, kregen ze er steeds meer plezier in. Dat kon je merken doordat ze steeds meer durfden te spelen met ‘gekke’ voorbeelden en argumenten, waardoor het vooral een oefening werd in argumenteren en doorvragen.

Wereldwijd ken ik wel wat hooggeplaatste mensen die ook wel zo’n oefening kunnen gebruiken. 😉

Wat is een stoel?

wat is een stoel?

Gisteren hebben de kleuters zich verwonderd over stoelen. Dit is een heerlijke les, waarbij een thema uit de taalfilosofie centraal staat: hoe weet je hoe iets heet? We staan niet snel stil bij zo iets eenvoudigs als een stoel, maar als je hier samen met kleuters over praat, dan blijkt het minder eenvoudig dan je denkt (probeer het zelf ook eens…).

Nadat de kleuters hadden vastgesteld wat een stoel is (namelijk: 4 poten en een vierkantje om op te zitten), hebben we de grenzen ervan verkend. Want hebben alle stoelen 4 poten en een vierkantje om op te zitten? Deze tafel bijvoorbeeld? Die heeft ook een vierkantje en 4 poten, maar is het een stoel? “Nee, want bij een stoel hoort ook een leuning!” O, mijn bank dus! “Nee, dan is het vierkantje geen vierkantje meer.”

Na het bekijken van een aantal bijzondere en ongewone stoelen (dus zonder poten en een vierkantje…) mochten ze zelf een stoel bedenken die ze nog nooit eerder hadden gezien. Dat werden fantasierijke creaties: een glijbaanstoel, een stoel met eten en drinken erin -zodat je nooit meer op hoeft te staan- en een schietstoel om naar de maan te reizen.

Tijdens het tekenen gaat het filosoferen ongemerkt door. Had iemand weleens een vliegende stoel gezien? Nee, nog nooit. Maar in een vliegtuig dan? “Dat is geen vliegende stoel juf!” Waarom niet? Je zit in een vliegtuig toch op een stoel? “Jawel, maar daar zit dan nog iets omheen, namelijk het vliegtuig, dus dat is dan geen vliegende stoel.” En een stoel hangend onder een luchtballon? “Ja, maar dat kan niet, want daar is ook vuur!” Een zwemmende stoel dan? “Bestaat niet, juf!” Hebben jullie op het strand dan nooit zo’n opblaasstoel gezien? “Ja, maar dat is geen zwemmende stoel, maar een plastic stoel!” En als je een stoel vastbindt op de rug van een walvis? Dat was grappig én dat zou eventueel wel een zwemmende stoel kunnen zijn…

…maar niet als je dan per ongeluk op het gaatje gaat zitten waar de walvis water uit spuit, dan heb je namelijk tóch een vliegende stoel!

Spiegeltje spiegeltje in mijn hand…

Hoe help je je kind als het spiegelbeeld niet meer teruglacht?

Spiegelen is heel menselijk. We doen het al vanaf onze geboorte: je lacht een baby toe en hij doet het na, ook als je je tong uitsteekt of heel verbaasd gaat kijken. Kinderen kopiëren dingen van hun ouders, broers, zusjes en hun omgeving. Een wereldberoemd voorbeeld van spiegelen komt uit het sprookje van Sneeuwwitje: spiegeltje spiegeltje aan de wand…

Spiegelen werkt in positieve en negatieve zin.

Spiegelen werkt in positieve en negatieve zin. Goed voorbeeld doet goed volgen: als jij netjes dank je wel zegt, dan doen jouw kinderen dat vaak vanzelf na. Gooi jij jouw afgekloven appel in de bosjes (“dat verteert vanzelf”, zei mijn moeder altijd), dan doen jouw kinderen dat waarschijnlijk ook. Ik ben uiteraard een uitzondering ;-). Een mooi voorbeeld in dit filmpje van een baby wiens moeder blijkbaar al vaak heeft voorgedaan hoe het moet…

Beloning

Ook geldt dat beloning goed werkt; menig opvoeder heeft op een bepaald moment tijdens de opvoeding het ‘stickersysteem’ geïntroduceerd. Als je kind iets goed heeft gedaan, op het potje heeft geplast of geen nagels heeft gebeten, dan wordt het beloond met een sticker. Je kind wordt blij van de sticker en doet extra zijn best om er één te krijgen aan het eind van de dag.

De moderne mens heeft dagelijks een spiegel in zijn hand. Het gaat misschien niet bewust, maar het werkt in grote lijnen hetzelfde als bij die baby: jij zet iets leuks op Social Media en jouw ‘spiegel’ reageert in de vorm van likes en reacties. Dit levert je kortstondig een goed gevoel op, omdat er in je hersenen een stofje vrij komt dat dopamine heet. Je wordt dus beloond voor je leuke bericht en bent, net als het kind met het vooruitzicht op een nieuwe sticker, extra gemotiveerd om het snel nog een keer te doen om weer dat fijne gevoel te ervaren.

Peers

Voor kinderen en jongeren geldt hetzelfde en eigenlijk meer, omdat zij hun identiteit beginnen te ontwikkelen en extra gevoelig zijn voor bevestiging van hun vrienden, of ‘peers’. Dan zijn al die likes op je laatste foto via Instagram heel fijn. Daar willen ze steeds meer van. Dus worden vrienden in de foto getagd, al staat er alleen een boom op en is er geen mens op de foto te bekennen. In Snapchat kun je bijhouden hoe lang de chat met je BFF al duurt, dus proberen meiden zo lang mogelijk over en weer te blijven ‘liken’ en chatten.

Helden van nu

De helden van nu zijn minder vaak popsterren en steeds vaker vloggers met een grote schare fans die dagelijks kijken. Ook dit zijn spiegels die de jeugd op allerlei manieren beïnvloeden. Zo vroeg mijn 12-jarige dochter mij of ze haar tanden mocht bleken (net als die leuke vlogger…).

Naast de vele leuke kanten die zitten aan de ervaringen die worden gedeeld via Social Media en de vlogs, heeft het ‘spiegel-effect’ ook minder leuke kanten. Bijvoorbeeld kinderen die al die likes zó leuk vinden, dat zij hun Instagram en Snapchat account (stiekem) op ‘openbaar’ zetten, want dat levert veel meer reacties op.

Of als de spiegel jou opeens niet meer “de mooiste in het land” vindt en er negatieve reacties worden ontvangen. Dat komt bij de jonge generatie keihard aan. Dan kan de telefoon -tijdelijk- een vijand worden, omdat de stroom aan negatieve berichten je altijd en overal kan bereiken. Je hebt je telefoon immers binnen handbereik, soms zelfs 24 uur per dag.

Hoe kun je je kind helpen als het spiegelbeeld niet meer teruglacht?

1. Bied een luisterend oor

Als je kind je in vertrouwen neemt, dan geldt ook hier het principe van de beloning: reageer neutraal, luister naar het verhaal en oordeel niet. Bedenk met elkaar hoe jullie het op kunnen lossen.

2. Reageer niet

Ook voor de zender van de negatieve boodschappen geldt: hij wacht op een reactie. Reageer dus niet, dit kan weer een nieuwe reactie uitlokken.

3. Probeer de aanleiding te achterhalen

Soms komt iets hard aan, maar is het eigenlijk als een grap bedoeld, soms is iemand er opzettelijk op uit om (negatieve) reacties uit te lokken. Probeer te achterhalen wie er achter zit en waarom.

4. Blokkeer degene die de berichten verstuurd

Het geeft rust om een aanhoudende stroom berichten te stoppen. Leg aan je kind uit dat de ander er niets van merkt en dat het altijd mogelijk is om de blokkade weer op te heffen.

5. Bewaar de berichten

Het kan zijn dat je de berichten nodig hebt als bewijsmateriaal. Maak er een foto van of sla ze op.

6. Neem contact op met de onruststoker(-s) en/of ouders

Soms heeft de zender geen idee welk effect het bericht heeft op de ontvanger. Bijvoorbeeld: op de basisschool sturen twee vriendjes uit groep 6 samen een heftige foto door, omdat ze dat een goede grap vinden. Dan kan direct terugbellen met de vraag “waarom doe je dit?” helpen (bijvoorbeeld door jou als ouder). Ook contact opnemen met de ouders om de situatie uit te leggen kan een leermoment opleveren.

7. Neem contact op met school

Levert een gesprek met de zender of ouders niets op, neem dan contact op met school als het gaat om een klasgenootje. Bespreek het met de leerkracht of eventueel met de vertrouwenspersoon. Als het gaat om iemand van de sportclub, neem dan contact op met de trainer.

8. In het uiterste geval: rapporteer de onruststoker(-s)

Bij alle Social Media apps is het mogelijk om onruststokers te rapporteren. Dit kun je vinden onder ‘instellingen’ (bij het tandwiel-icoontje). Omdat de uitleg meestal alleen in het Engels te vinden is, is het noodzakelijk om je kind hierbij te helpen.

Installeer een meldknop op de computer thuis, dan kunnen kinderen het melden zodra er iets gebeurt. Eenvoudig te installeren via https://www.meldknop.nl/.

9. Schakel een MediaCoach in

Kom je er zelf niet uit? Een gecertificeerd MediaCoach kan ook in 1-op-1 situaties uitkomst bieden en helpen bij het zoeken naar een oplossing.

Tot slot

Wat je zelf via Snapchat of Instagram rondstuurt verschijnt weer op de ‘spiegel’ in de hand van een ander en kan die ander een goed, maar soms ook vervelend gevoel bezorgen. Help je kind zich hiervan bewust te worden.

Zijn je kinderen nog jong en wil je weten hoe je al vroeg kunt beginnen met een mediawijze opvoeding? Lees dan de 6 tips om jouw ukkie mediawijs op te voeden.

Heb je zelf een voorbeeld van spiegelen?

Of heeft je kind iets vervelends meegemaakt en hebben jullie het samen opgelost?

Deel het! Ik lees graag jullie ervaringen.

Kleuters filosoferen over de omgekeerde wereld

Wat was het weer genieten met de kleuters. Al bij binnenkomst bevonden zij zich -zonder dat dit was verteld- in de ‘omgekeerde wereld’. Een boek werd achterstevoren voorgelezen, met de achterkant van de pen werd geschreven en de deur werd ‘dicht’ gedaan (door hem wijd open te zetten).

Naast veel schaterende kleuters leverde dit ook verwarring op. Ook ontdekten ze na een paar minuten een patroon in alle rare dingen die de juf deed en al gauw riep één kleuter: “dit is de omgekeerde wereld!”. Toen konden we pas echt van start. Want in de omgekeerde wereld gebeurt er van alles: je drinkt ’s ochtends je spaghetti uit een glas en eet je thee van een bord, je trekt eerst je badjas aan en stapt daarna onder de douche, de bus rijdt ondersteboven op de wolken en alle passagiers vallen eruit (maar gelukkig staan er trampolines op de grond om ze op te vangen). En iedereen wilde géén omgekeerde wereld tekenen, dus de kinderen hoefden géén blaadje…

De kern van dit gedachtenexperiment is dat je je omgeving beter begrijpt als je je probeert voor te stellen hoe het anders zou kunnen zijn. Je krijgt inzicht in je eigen situatie door je een andere situatie voor te stellen met andere regels en na te gaan wat er allemaal nodig is om die andere situatie te realiseren. Je observeert op een speelse manier dus eigenlijk je eigen gedrag en die van je omgeving. Deze kleuters konden zich heel goed inleven in de omgekeerde wereld!

Een week later vertelde één kleuter: “we doen het nu iedere avond aan tafel, juf!”  Wat? “De omgekeerde wereld!”

Gedachten zijn geen feiten, wat je googled ook niet (altijd)…

feit of mening?

Onlangs filosofeerde ik met kinderen uit groep 7 over de verschillen tussen feiten en meningen. Vanuit de startvraag: “Is jouw mening waar?” werden zinnen gerubriceerd als ‘feit’ of ‘mening’. Aanvankelijk werd bedacht dat je eigen mening en gedachten waar zijn. Zelfs dé waarheid, namelijk voor jezelf, zoals bij “ik vind spruitjes vies” of een meningsverschil: “dit is míjn waarheid”.

De opdracht was vervolgens om de zinnen van medeleerlingen neer te leggen op de tafel ‘feit’ of ‘mening’. Toen bleken een heleboel zinnen ineens niet meer zo waar, want voorgelezen door een andere leerling klopte het feit “ik ben Lisa” niet meer. Tijdens het neerleggen werden de zinnen besproken en ontdekten de kinderen dat een feit niet zo eenvoudig is, evenals het verschil tussen een mening en ‘eigen waarheid’. Deze groep vond aan het eind van het gesprek zelfs dat je eigen waarheid helemaal niet bestaat. Want iets is alleen een feit of een waarheid als iedereen het vindt, niet als jij dat als enige vindt, want dan hoeft het helemaal niet waar te zijn.

Voor de kinderen die filosofeerden over dit onderwerp bleven de feiten en meningen bewust dichtbij henzelf. Je kunt dezelfde denkoefening echter ook doen grotere schaal, met ‘feiten’ en ‘meningen’ verkondigt in de media. ‘Alternative facts’ mag dan een nieuwe term zijn, het fenomeen bestaat al lang. Dat is geen probleem, zolang we ons ervan bewust zijn. (Was dat pretpark van afgelopen zomer écht ‘de grootste speeltuin van de wereld’?)

Een recent onderzoek uit Engeland, van de Britse communicatie-autoriteit Ofcom, laat zien hoe kinderen denken over informatie die zij krijgen via internet. Hoewel sommige kinderen wel enigszins kritisch zijn over de resultaten van zoekmachines, denkt ruim één op vier van de kinderen in de leeftijd tussen 8 en 15 jaar dat alle resultaten die je krijgt via Google te vertrouwen zijn. Álle resultaten, want een groot deel herkent Google ads niet als advertentie.

Met filosoferen laat je kinderen de verschillen onderzoeken met alledaagse voorbeelden en laat je ze de verschillen ervaren. Door kinderen zélf kritisch te laten nadenken en zélf te laten ontdekken wat de verschillen zijn. Vanuit die ervaring kun je vervolgens het gesprek aangaan over het gebruik van feiten en meningen in de media.

Wil je ook met je kind(-eren) leren filosoferen? Over feiten en meningen of andere vragen? Thuis of in de klas? Kom naar de workshop ‘Leren filosoferen met kinderen’ in Den Haag op zaterdagmorgen 23 september.

NB De inspiratie voor deze les komt uit “Ik zag 2 beren filosoferen”: een aanrader!

De afbeelding is een kaart die als bijlage zat bij het tijdschrift Flow.

Emoji Challenge

Zin in het met een hoge funfactor bevorderen van mediawijsheid in de klas ? Doe de Emoji Challenge! Geschikt voor basisscholen (groep 5, 6, 7 en 8).

Zin in het met een hoge funfactor bevorderen van mediawijsheid in de klas ? Doe de Emoji Challenge! Geschikt voor basisscholen (groep 5, 6, 7 en 8).

Doel

Kinderen kunnen al jong zelfstandig een telefoon of tablet bedienen en daardoor zelf keuzes maken. De filmpjes, spelletjes en berichtjes roepen een scala aan emoties op: binnen enkele minuten gaan ze van het kijken naar een schattig jong poesje naar het ontvangen van een kattig appje van een vriendin.

Het is voor kinderen niet voldoende om feitelijke kennis te hebben van media, maar ook om zich bewust te worden van de emoties waar de media een beroep op doet. Wanneer zij zich bewust zijn van deze emoties, kunnen ze daarna leren om deze emoties op de goede manier in te zetten. Dit voorkomt dat zij zich niet zomaar emotioneel laten meeslepen tijdens hun mediagebruik. Een belangrijke kwaliteit in een tijd waarin kinderen steeds vaker en jonger autonoom (online) beslissingen moeten nemen, zonder toezicht of begeleiding van een volwassene.

De Emoji Challenge is een vrolijke wedstrijd waarbij kinderen op een speelse manier gaan nadenken over emoties. Kinderen zijn dol op emoji’s en gebruiken deze graag en vaak. Tijdens de Challenge gaat het erom te bedenken welke emoties de emoji’s uitdrukken. Dit is pittiger dan je denkt!

Samenvatting

De Emoji Challenge is een wedstrijd in de vorm van een -de naam zegt het al- Challenge, waarbij de leerlingen zoveel mogelijk emoji’s tekenen die een emotie uitdrukken. Een jury beoordeelt de verschillende groepsprestaties en roept de winnaar uit van de Emoji Challenge.

Wat heb je nodig?

Stiften & grote vellen papier

Voorbereiding

Leg de vellen papier op tafels verspreid door de klas en zorg dat iedereen uit de groep eromheen kan staan.

Deel de kinderen in groepen in, afhankelijk van de grootte van de klas bijvoorbeeld: ‘jongens tegen de meisjes’ of groepjes van 4 à 6 kinderen. Het is belangrijk dat ze allemaal tegelijk iets kunnen tekenen op het papier.

De les

Bespreek eerst de spelregels en wijs een jury aan (dit kun je ook zelf zijn).

De spelregels

  1. Teken zoveel mogelijk verschillende emoji’s op het vel papier
  2. Let op! De emoji’s moeten wel een emotie uitdrukken en die moet je aan de jury kunnen vertellen.
  3. Als je de jury geen emotie kunt vertellen, dan telt de emoji niet mee.
  4. Zodra het startsein klinkt mag je beginnen en bij het eindsignaal leg je je stift neer.
  5. De groep met de meeste verschillende emoji’s die een emotie uitdrukken is de winnaar.

 

Start de Challenge

  • Laat de kinderen om de tafel gaan staan met de vellen papier en de stiften in de aanslag en geef het startsein.
  • Laat ze ongeveer 8 à 10 minuten verschillende emoji’s tekenen. Laat het aan de groepjes zelf over om samen te werken of juist allemaal individueel zoveel mogelijk emoji’s te tekenen.

 

Voor de leerkracht

Er zijn verschillende emoties, zoals: vreugde, verrassing, boosheid, angst, verdriet en afkeer. De kinderen kunnen ze niet altijd heel specifiek benoemen, dus stimuleer ze zoveel mogelijk om de ‘emotie erbij te halen’. Een redelijke omschrijving? Een punt!

Er is altijd wel één groep die een drol-emoji tekent. Grappig genoeg is dit het Japanse teken voor geluk, dus als ze dat weten te benoemen: je gelukkig voelen of iets dergelijks, dan telt het mee. Weten de kinderen dit niet, laat ze dan raden voor extra punten.

Loop gezamenlijk alle vellen na, bijvoorbeeld door om de tafel te gaan staan of als hiervoor geen ruimte is de vellen op het bord te hangen. Laat ieder groepje de emoties vertellen bij de emoji’s. Schrijf met stift direct iedere punt op het vel, zo houd je ze uit elkaar.

Natuurlijk kunnen de andere kinderen meeluisteren als je dit klassikaal doet en bij hun beurt deze emoties allemaal weer opnoemen, soms hebben ze echter een andere uitleg bij dezelfde emoji die ook goed gerekend kan worden. Het herhalen van de emoties is goed voor de bewustwording. Je kunt de groepjes ook omstebeurt één emoji laten toelichten, waarbij ze een ándere emoji moeten toelichten. Hebben de andere groepen dezelfde emoji? Dan krijgen zij ook een punt. Dit versnelt het proces.

Alle emoji’s besproken? Tel de punten op en wijs het groepje met de meeste punten aan als winnaar van de Emoji Challenge!

Kun je iemands toekomst stelen?

toekomst
“Nu is nu en het volgende moment begint de toekomst”

Kun je iemands toekomst stelen? Daar dachten leerlingen uit groep 7 over na. Dit kon, aldus een leerlinge, want een tante had een ernstig ongeluk gekregen en werd blind, hierdoor kon zij geen hondentrainer worden. Tenminste dat dacht ze, maar uiteindelijk werd ze het toch wel.

Een andere leerling reageerde direct met de opmerking dat je alleen iemands toekomst kunt stelen als je iemand vermoordt, want zelfs al ben je blind geworden, je leeft nog en dus heb je nog een toekomst. Nu is nu en het volgende moment is het al toekomst.

Dit geldt ook voor iemand die in de gevangenis belandt. Hij doet misschien niet wat hij wilde doen, maar leeft nog en heeft dus een toekomst.

Het gesprek ging zo nog even door, totdat de leerlinge die als eerste het woord nam opmerkte dat zij van gedachten was veranderd. O ja? “Ik dacht dat je iemands toekomst kon stelen, zoals bij mijn tante, maar daar ben ik het nu niet meer mee eens. Want het klopt eigenlijk wel dat je nog steeds een toekomst hebt, ze is zelfs nog hondentrainer geworden! Alleen als je leven eindigt, eindigt je toekomst.”

Al bijna 4 jaar filosofeert Filosoferen in de klas wekelijks op een Christelijke Montessorischool met kinderen uit groep 2, groep 4 en groep 7. De vraag komt uit de Praatprikkels van de Filosofiejuf.

5 vragen voor een filosofisch gesprek met je puber deze vakantie

Heerlijk, bijna zomervakantie! Ga je deze zomer ook uitstapjes maken of op vakantie met je puber? Lijkt het je leuk om voor de tent bij een kampvuurtje, als je zit te wachten op je pizza of tijdens een bergwandeling een ander gesprek te voeren met je puber? Ga filosoferen met je pubers! Hier zijn 5 thema’s met vragen die je kunt stellen om het gesprek op gang te brengen… Tip: ook geschikt voor in de klas tijdens deze laatste week (met leerlingen uit de bovenbouw)!

Voordat je in gesprek gaat

Je bent van plan om een filosofisch gesprek te voeren met je puber(-s). Dit gesprek valt of staat met:

  • De interesse van jouw puber(-s) in het onderwerp. Onderstaande vragen hebben het doel te prikkelen, prikkelt het niet (genoeg)? Probeer dan een andere vraag.
  • Ook jouw eigen houding is van belang. Zie het gesprek als een gezamenlijk onderzoek:
    • er is geen goed of fout antwoord,
    • je weet het antwoord zelf ook niet,
    • maar je bent wel geïnteresseerd in het (gezamenlijk) beantwoorden van de vraag.
  • Om hierachter te komen en een antwoord te kunnen geven, moeten jullie bij jezelf te rade gaan.
5 x een thema met extra vragen

Moet je je aanpassen aan je vakantieland?

Kun je ook weigeren om lange mouwen/een lange broek aan te trekken in de plaatselijke kerkjes als dat wordt gevraagd? Moet je in Arabische landen een hoofddoek dragen? Moet iets alleen als het land het wettelijk verplicht? Is iets doen uit respect voor de bevolking/het land ook moeten? Pas je je aan het land aan als je om 21.00u eet, terwijl je thuis rond 18.00u eet? Moet je de taal van het land spreken, of kom je ze al tegemoet door Engels te praten? Moeten buitenlandse toeristen in Nederland zich aan ons aanpassen? Hoe dan?

Kun je op vakantie zonder WIFI?

Waarom wel/niet? Wat is er beter/leuker aan een vakantie zonder WIFI? Wat zijn de nadelen? Waarom is WIFI op vakantie nu wel belangrijk, terwijl iedereen vroeger zonder op vakantie ging? Wat gebeurt er als niemand WIFI heeft op vakantie? Wat is het nut van plekken waar de camping- of hoteleigenaar bewust wel of juist geen WIFI heeft?

Kleed je je op vakantie anders dan thuis?

Kleed je jezelf anders dan thuis? Kleden je ouders zich anders dan thuis? Wat zijn redenen om je kleding aan te passen? Als je zonder ouders op vakantie ging, zou je dan andere kleding dragen? Zijn er mensen die zich sowieso anders kleden op vakantie? Zijn er soorten vakanties waarbij je je kleding wel móet aanpassen?

Is vakantie wel echt vrije tijd?

Mag je doen en laten wat je wilt tijdens vakantie? Zo niet, kun je het dan wel ‘vrije tijd’ noemen? En als het wel zo is, is dat dan ‘vrije tijd’? Wat is eigenlijk ‘vrije tijd’? Is ‘vrije tijd’ hetzelfde als vakantie? Kun je ‘vrije tijd’ hebben zonder vakantie? Kun je vakantie hebben zonder ‘vrije tijd’? Is ‘vrije tijd’ hetzelfde als tijd zonder regels? Waarom wel/niet? Wat betekent ‘vrije tijd’ voor jou? Kun je vakantie ‘vieren’? Wat doe je dan?

Is vakantie luxe of lijden?

Is vakantie altijd luxe? Wat is eigenlijk luxe? Is luxe voor jou hetzelfde als voor een ander? Zo niet, wat is het verschil? Is vakantie zonder luxe wel vakantie? Kan het ook vakantie zijn als je juist afziet van luxe? Wanneer is vakantie luxe en wanneer is vakantie lijden? Denkt iedereen daar zo over? Waarom wel/niet? Is het überhaupt vakantie als je in de stromende regen in een lekkende tent zit? Wanneer stopt het dan met vakantie zijn? En waar begint vakantie?

Socrates

De filosoof Socrates ging ervan uit dat je bij dit soort vragen de antwoorden kunt vinden in jezelf. Waarschijnlijk vinden jullie verschillende antwoorden, vanuit een andere kijk op de wereld. Onderzoek van daaruit verder waarom je iets vindt en wat je vindt van de andere antwoorden. Ben je het ergens helemaal niet mee eens? Dan gaat het er niet om de ander te overtuigen van jouw gelijk, maar om het onderzoek naar de achterliggende reden. Voor je het weet is het vuur uit, de pizza op of de berg overwonnen!

Wil je een pdf ontvangen om mee te nemen op vakantie? Vul het formulier in en krijg het per mail toegestuurd.

 

 

 

Filosoferen met kleuters: regenworm = natuur

regenworm
Een regenworm is natuur

Filosoferen met kleuters over natuur, een interessant thema met iedere keer weer een andere wending: dit was een gesprek vol kleuter-logica.

“Zand is natuur, want je hebt overal in de natuur zand, grond is ook zand.”
“En zandkorrels zijn hele kleine stukjes schelp, schelpen zijn ook natuur, dus daarom is zand ook natuur.”
“Dieren zijn natuur, maar alleen dieren op het land.”
Is de zee dan geen natuur?
“Nee, dat is water.”
“Het kan wel juf, want in de zee zijn plantjes en zeesterren en vissen.”
“Vissen zijn geen natuur.”
Maar vissen zijn toch ook dieren?
“Nee, dieren zijn alleen natuur als ze kunnen lopen.”
Dus een krab in de zee is wel natuur?
“Ja, want die kan lopen en die loopt ook de zee uit, dus is het natuur, net als een schildpad.”
En een regenworm dan? Die kan niet lopen.
“Nee, maar een regenworm komt uit de grond en we hebben toch net verteld dat grond ook natuur is? Dan is een regenworm dus ook natuur!”

(Na het bekijken van een foto van een auto die wordt volgetankt)

Is dit natuur?
“Nee, daar wordt de auto opgeladen.”
Je kunt een auto inderdaad opladen met een stekker, maar hier wordt getankt.
“O ja, dan wordt de auto ook opgeladen met iets erin.”
Bedoel je benzine?
“Ja.”
Is dat natuur? Waar komt benzine vandaan?
“Uit de zee.” “En uit de grond!”
“O jee, dan hoop ik dat er geen regenwormen in de auto komen…”

Wil jij ook filosoferen met kinderen? Filosoferen in de klas heeft regelmatig workshops voor opvoeders op een centrale locatie in Den Haag. Wil je de data voor 2017 weten? Vul het contactformulier in en ik houd je op de hoogte.

Wil je dat ze op de school van jouw kinderen ook het kritisch denken verder ontwikkelen door te gaan filosoferen? Laat het me weten via het contactformulier en ik neem contact op met de school!