Krijg je goede burgers van burgerschapsonderwijs?

Inleiding

Regelmatig vraag ik me af in hoeverre wij als maatschappij iets kunnen veranderen aan de verharding en de afnemende tolerantie naar medeburgers of burgers uit andere landen die hier een veilige haven zoeken. En hoe wij met de uitdagingen om zullen gaan als gevolg van de technocratisering. Is onze maatschappij in staat om creatieve oplossingen te bedenken voor deze ontwikkelingen en andere vraagstukken, zoals de opwarming van de aarde? En hoe bereiken we dat?

Ik denk dat opvoeding een grote rol kan spelen. Opvoeding van ouders die hun kinderen leren hoe je met elkaar een prettige samenleving creëert. En hoe je door gezamenlijk nadenken en overleggen oplossingen kunt vinden voor uitdagingen.

Daarnaast speelt ook de overheid in mijn ogen een rol bij de opvoeding van burgers. Een overheid die alle betrokkenen in het onderwijs stimuleert om een toekomstige generatie op te leiden tot kritische, zelfstandig denkende burgers met oog voor de samenleving. Burgers die kunnen omgaan met de problemen die we als maatschappij nu en in de toekomst moeten oplossen. Zowel op micro- als macroniveau.

Dit vraagt om breder onderwijs dan de standaard vakken als rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Burgerschapsonderwijs kan, denk ik, een belangrijke rol spelen bij het opvoeden van goede burgers. Onder goede burgers versta ik mensen die begrijpen wat onze democratie inhoudt en zich daarvoor willen inzetten, op kleine of grotere schaal, mensen die oog hebben voor elkaar en de problemen van onze tijd. Ik wil onderzoeken in hoeverre deze aanname al dan niet gedeeld wordt door een aantal filosofen door de eeuwen heen.

De uitgangsvraag in dit betoog is:

Krijg je goede burgers door burgerschapsonderwijs?

Een groot aantal filosofen heeft nagedacht over een ‘ideale staat’ en de rol die burgers daarin hebben. Aan de hand van een aantal van deze filosofen wil ik nagaan:

  1. Wat een ‘goede’ burger is.
  2. Welke factoren belangrijk zijn voor het opvoeden van goede burgers.
  3. Of burgerschapsonderwijs een rol speelt bij goed burgerschap.

Ik beperk me tot de rol van overheid als opvoeder en laat andere opvoeders buiten beschouwing. Voor de leesbaarheid schrijf ik uitsluitend in de ‘hij-vorm’.

  1. Wat is een goede burger?

 Door de eeuwen heen zijn de ideeën over wat iemand een goed mens maakt, en de rol die zo’n goed mens speelt in de maatschappij, veranderd. Welke ideeën hadden de gekozen filosofen over ‘goede burgers’? En hoe verhouden deze ideeën zich tot elkaar?

Bij Plato konden burgers niet zonder staat, maar kon de staat ook niet zonder de burgers. Er was een wederzijdse afhankelijkheid, maar geen gelijkheid. In de ogen van Plato zou de staat almachtig moeten zijn. Dit was gebaseerd op het idee dat hoe je de samenleving inricht, afhankelijk is van het doel van het bestaan: namelijk ‘het goede’ nastreven. En uit een goede en rechtvaardige samenleving volgt de juiste opvoeding.

Voor Thomas van Aquino was de mens een ‘zooion politikon’, oftewel een sociaal wezen. Daarvoor was een ingerichte maatschappij belangrijk die, net als bij Plato, zou zorgdragen voor het algemeen welzijn. Bij Thomas van Aquino werd dit niet tot stand gebracht door een onderverdeling in kasten, maar door regels en wetten die het algemene belang zouden dienen.

Dit veranderde tijdens de Renaissance en de Verlichting. Tot dan toe had God een belangrijke rol bij hoe de staat ingericht werd om het ‘goede’ na te streven. Bij Thomas Hobbes kwam een meer individueel belang in zicht. God stond wat hem betreft los van de staat en het individu. Dit individu, dat net als Plato ook vanuit zijn natuur handelde, was echter een egoïst. Omdat deze egoïsten hier ook naar handelden, mondde dit uit in een ‘oorlog van allen tegen allen’[i]. Dat was echter onbevredigend voor de mensen, want het borgde geen veiligheid en zekerheid. Dus was er een overkoepelende macht nodig. Een staat die, onder andere, zou moeten bepalen wat recht en onrecht was en goed en fout. In de context van dit betoog is het belangrijk dat het individu hier een meer prominente rol krijgt.

Dit zie je ook terug in de essays van Michel de Montaigne, die schreef vanuit het ik-perspectief. Dit veranderende perspectief is voor mij van belang bij de vraag wat een goede burger is, omdat de burger nu zelf ook begon na te denken over zijn rol in de samenleving. Montaigne schreef hierover: “Zijn gedrag moet in harmonie zijn met de heersende gebruiken. Hij moet alles kunnen doen, maar slechts het goede willen doen.”[ii] Een verschil is dat het hier niet alleen gaat om datgene dat ‘moet’ van de staat, maar ook om het idee dat iemand het ook moet ‘willen’.

Bij Rousseau zien we dit terug en hij gaat nog een stapje verder. De natuur, die bij een aantal genoemde filosofen een rol speelt, is voor Rousseau de belangrijkste leermeester om een goede burger te maken. De maatschappij zou een leerling zelfs kunnen bederven.

Een filosoof die het hier helemaal niet mee eens is, is Charles Taylor. Hij is een communitarist, die vindt dat de maatschappij je als individu juist in belangrijke mate vormt. Je hebt de ander(-en) nodig. Waar tijdens de Verlichting het belang van het individu een centralere plaats kreeg, is de gedachte van Taylor juist dat de gemeenschap centraal staat en niet het individu.

John Dewey is het hier in zekere zin mee eens, hoewel hij het ook verbindt met het leren leven in een democratie: je moet als individu -vanaf jonge leeftijd- ervaren wat het is om in een (democratische) gemeenschap te leven, zodat je leert hoe dit werkt. Doordat je kennis en vaardigheden hebt opgedaan met betrekking tot een goede gemeenschap, word je een betere burger.

Wat valt op?

Voor de uitgangsvraag is het interessant om te zien dat er door de tijd heen verschillende ideeën zijn geformuleerd over wat een goede burger is en hoe je een goede burger krijgt. De staat is almachtig of speelt in mindere mate een rol (of geen enkele, wat Rousseau betreft), maar is wel belangrijk bij het vaststellen wat een goede burger is. Begrippen als ‘deugd’, het ‘goede’ en ‘rechtvaardigheid’ worden gebruikt als goede burgers worden omschreven.

Het individu wordt in de loop der eeuwen belangrijker, hoewel ook de burger als onderdeel van de samenleving niet in belang afneemt. Wel de rol van de staat als absolute macht, zoals in de ‘Ideale Staat’ van Plato en bij Hobbes. Tijdens de Verlichting en daarna is niet alleen de rol van de staat van belang bij een goede burger, maar ook de vorming van de burger, zodat een burger niet alleen doet wat moet, maar dit ook zelf wil.

 

  1. Welke factoren zijn belangrijk voor het opvoeden van goede burgers?

Plato omschreef in zijn ‘Ideale staat’ een bijna levenslang durend opleidingstraject, waarbij uiteindelijk iedereen ging doen waar hij goed in was. Het uitgangspunt was een democratisch principe: namelijk dat de staat iedereen dezelfde mogelijkheden moet bieden. De rol van de staat was groot: het opleidingstraject zou door de staat aangeboden moeten worden. Voor Plato was het uitgangspunt dat teveel vrijheid van de burgers voor ellende zou zorgen: “Zo slaat een overmaat aan vrijheid kennelijk juist in een overmaat aan onderdrukking om, zowel in het individu als in de maatschappij.”[iii] De studie van de burgers kon tot het 50ste levensjaar duren voor diegenen die niet afvielen, met als laatste 15 jaar leren door levenservaring. De burgers waren onderdeel van de staat, waar ze tot aan hun dood bleven doen waarin ze waren ingedeeld in klassen, op basis van de resultaten van hun lange leerlijn.

Thomas van Aquino vond dat de staat verantwoordelijk was om burgers ertoe te zetten om rechtvaardig en deugdzaam te leven, want “een mens kan onmogelijk goed zijn, zonder een goede verhouding tot het algemeen welzijn.”[iv] De relatie tussen burger en de maatschappij was voor hem belangrijk; als burger kun je alleen goed zijn als je niet alleen je eigen individuele belangen nastreeft, maar ook die van anderen.

De Montaigne vond dat je kon leren en inzichten kon verkrijgen door met mensen om te gaan. Dit vond hij ook bevorderlijk voor een goed wereldbeeld: “Wij allen zijn in onszelf opgesloten, staan onszelf in de weg en zien niet verder dan onze neus lang is. Socrates werd wel eens gevraagd waar hij vandaan kwam. Hij antwoordde niet: ‘Van Athene’, maar: ‘Van de wereld.’ Hij breidde zijn kennissen tot de hele mensheid uit.”[v]

Rousseau vond dat een kind moet worden opgevoed zónder invloed van de staat, maar -ook letterlijk- in de natuur, om zijn ware natuur te ontdekken. Net als Plato vond hij dat je deze ware natuur als mens al in je hebt en deze door ontwikkeling kunt ontplooien. Ook De Montaigne had het idee dat je door daden -en niet zozeer door studie-, het goede leven kon leren leiden. En volgens Dewey leveren de eigen inzichten en krachten van een kind het materiaal dat het startpunt vormt voor alle opvoeding.

Dewey vindt net als Plato dat je ook door ervaring moet leren, maar bij Dewey moet je daar al meteen mee beginnen (en niet op je 35ste). Zijn ideeën over de rol van onderwijs bij het opvoeden van goede burgers, gaan met name over burgers die in een democratie leven, want, zegt Dewey, de opvoeding in een totalitaire staat vraagt iets anders van de leerling. Kinderen moeten al op jonge leeftijd leren hoe het is om in een democratie te leven. Niet zozeer door staatskunde en andere kennis over de staat, maar door van de school zelf een democratische gemeenschap te maken. Daarnaast moeten kinderen zelfsturing leren, omdat kinderen niet voor te bereiden zijn op specifieke omstandigheden of problemen.

Wat valt op?

De filosofen hebben verschillende ideeën bij wat belangrijk is bij het opvoeden van goede burgers. Alleen wat Rousseau betreft speelt de staat nadrukkelijk géén rol bij het opvoeden van goede burgers, integendeel zelfs. Bij De Montaigne lag de nadruk meer op de daden dan op studie. Ook de andere filosofen vinden het belangrijk dat burgers ‘goede burgers’ worden. De manier waarop verschilt.

Bij Plato is het opleidingstraject tot in detail beschreven, bij Thomas van Aquino kwam vooral het belang van de relatie tussen burger en maatschappij naar voren. De Montaigne benadrukte het belang van het krijgen van inzichten door intermenselijk contact, bij voorkeur heel breed georiënteerd, een vorm van wereldburgerschap, eigenlijk. Dewey heeft uitgebreid beschreven hoe je goede burgers opvoedt in een democratische samenleving.

Hoewel verschillend, lijken alle genoemde factoren mij belangrijk bij het vormen van goede burgers. Het valt me op dat het een breed palet is, met vanuit elk perspectief een interessante aanvulling. Maar gaat het alleen om burgerschapsvorming, of de vorming van een ‘goed mens’?

 

  1. Van burger naar mens…

Bij het schrijven van dit betoog kreeg ik steeds meer moeite met het begrip ‘burger’. Dit bracht mij tot het voortschrijdende inzicht dat ik tot nu toe wel steeds de term ‘goede burger’ gebruik, maar ik eigenlijk een ‘goed mens’ bedoel. Dus ik vraag me nu af in hoeverre burgerschapsonderwijs niet eerder een rol zou moeten spelen bij het vormen van ‘goede mensen’, in plaats van ‘goede burgers’. Bij burgers denk ik met name aan hoe mensen zich verhouden tot de staat, het land waar zij in leven en de staatsvorm die het heeft. Maar in de praktijk speelt ook de individuele ontwikkeling van de mens een grote rol speelt bij hoe hij zich verhoudt tot zijn omgeving en dus ook het land waarin hij woont.

 

  1. …en van mens naar burger

Volgens de genoemde filosofen zou een mens verschillende vaardigheden moeten leren. Een mens zou moeten leren handelen in het algemene belang, een mens zou zijn blik moeten verbreden voor het kunnen vormen van een wereldbeeld, de mens kan de maatschappij gebruiken om zichzelf te vormen. Het doel: een mens kan leren om ‘goed’ en ‘rechtvaardig’ te leven, wat de samenleving als geheel ten goede komt.

Bij een deel van de filosofen die voorbij kwamen, speelde (burgerschaps-)onderwijs nog niet de rol die het nu speelt. Aanvankelijk heerste de gedachte dat filosofen ervan uitgingen dat ‘de natuur’ (van de mens) ervoor ging zorgen dat het goede zich vanzelf zou manifesteren, al dan niet na beïnvloeding (opvoeding of sturing) van de staat. Dit was niet genoeg, zoals Dewey het verwoordt: “Alles alleen maar aan de natuur overlaten betekende toch een ontkenning van het hele idee van opvoeding; men gaf zich dan over aan het toeval van de omstandigheden.”[vi]

Onder meer dit inzicht leidde ertoe dat er openbaar onderwijs ontstond, waarin ook burgerschap een rol ging spelen. Daarin stond echter niet het vormen van ‘de mens’ centraal, maar het vormen van ‘de burger’. Met burgerschapsonderwijs kun je ‘de burger’ sturen om een ‘goede en rechtvaardige burger’ te worden. En door ze kennis op te laten doen over staatskunde en over wat de normen en waarden van de staat zijn. Het kan echter ook een andere kant op gaan: je kunt burgers met burgerschapsonderwijs ook sturen richting thema’s die je als leiders belangrijk vindt, zoals in het Duitsland van na de Napoleontische veroveringen, waar het aanleren van discipline een belangrijk onderdeel werd van het burgerschapsonderwijs.[vii]

 

  1. Speelt burgerschapsonderwijs een rol bij goed burgerschap?

Dit spanningsveld gaf mij een nieuw inzicht, namelijk dat als je burgerschaps-onderwijs specifiek richt op ‘goed burgerschap’, dit ook versmallend kan werken naar de mens toe. Plato vond juist dat het nodig was om individuen te beteugelen. Terwijl mijn eerdere overtuiging was dat burgerschapsonderwijs de staat én burgers alleen maar ten goede zou komen en een positieve bijdrage zou leveren aan hun ontwikkeling. De nieuwe vraag bij deze paragraaf wordt dan ook aangepast naar:

Speelt burgerschapsonderwijs een rol bij de ontwikkeling tot ‘goed mens’?

Met het idee van Rousseau om de staat verre te houden van de opvoeding ben ik het niet eens, al las ik in een voetnoot van Dewey dat hij op intellectueel vlak juist ageerde tegen de gevestigde orde, omdat die noch de burger, noch de mens vormde.[viii] Daar kan ik me juist in vinden; dat burgerschapsonderwijs de mens zou moeten vormen. Door voortschrijdend inzicht vind ik nu dat minder focus zou moeten liggen op het vormen van ‘de burger’ en meer op de vorming van een ‘goed mens’.

Ik geloof in een school als vorm van gemeenschapsleven, het opdoen van praktijkervaring en niet alleen informatie geven. Dewey brengt dit mooi onder woorden in het volgende citaat: “Het punt is dat de mate waarin en de wijze waarop een schoolvak de leerling tot bewustzijn van zijn maatschappelijke omgeving brengt en hem voorziet van de competenties om zijn eigen krachten te interpreteren in het licht van hun mogelijkheden in het maatschappelijk verkeer het uiteindelijke en samenbindende criterium is.”[ix] Empowerment van de leerlingen dus.

De filosofen dachten ook na over hoe zij het goede in de mensen konden stimuleren door te pleiten voor andersoortige vakken als onderdeel van burgerschapsonderwijs. Bij Plato waren sport en muziek onderdeel van de opleiding, met als doel om het lichaam te trainen voor moed en kracht en de ziel te trainen voor mildheid en zachtheid. Deze combinatie zou leiden tot een harmonisch en evenwichtig karakter.[x] Daarnaast stond dialectiek op het programma: een vaardigheid die de huidige maatschappij goed kan gebruiken. Leren in en van de natuur is ook in deze tijd een goed idee. En leren hoe de wereld in elkaar zit, waar Hobbes en Dewey voor pleitten: niet alleen democratische waarden zijn van belang, ook sociale en volgens Dewey daarnaast economische. Dewey vond culturele vakken bovendien belangrijk.

Kortom: alle filosofen hebben aspecten genoemd om mensen te empoweren en die in mijn ogen niet zouden mogen ontbreken in het onderwijs. De vraag is of het allemaal onder burgerschapsonderwijs moet vallen, maar ze verdienen allemaal een plekje in het curriculum.

 

  1. Conclusie

Mijn uitgangsvraag was: krijg je goede burgers door burgerschapsonderwijs? Het antwoord is ja en nee.

Scholen vinden de opdracht om burgerschapsonderwijs op te nemen in het curriculum onduidelijk. Scholen doen ‘iets’ aan burgerschapsonderwijs, bewust of niet en vaak slechts een paar momenten per schooljaar. Dit stond in een rapport van de onderwijsinspectie[xi] begin dit jaar.

Dat de opdracht onduidelijk is, kan ik me niet alleen voorstellen, maar na dit betoog ook beter begrijpen. Want de ideeën over wat hoort bij goed burgerschap lopen nogal uiteen, terwijl ze tegelijkertijd allemaal aanspreken als onderdeel van het empoweren van mensen. Dus ja, burgerschapsonderwijs kan bijdragen aan een ‘goede burger’.

Toch denk ik dat het burgerschapsonderwijs van de toekomst ingezet moet worden met als insteek om ‘goede mensen’ te vormen. Met ‘goede mensen’ vind ik het mensbeeld van Plato te beperkt, omdat daar onvoldoende ruimte is voor individualiteit.

Ik vind de opvatting van Taylor interessant, omdat hij -net als Plato- de gemeenschap belangrijk vindt, maar wel vanuit de gedachte dat de gemeenschap het individu helpt vormen (en vice versa). Ik vraag me af hoeveel ruimte er is voor de ontwikkeling van een individu dat, via sub groeperingen bijvoorbeeld, meer los staat van de maatschappij. Ik weet uit eigen ervaring -tijdens een jaar in een commune in Israël- dat het egoïstische mensbeeld van Hobbes ook in zo’n commune uiteindelijk boven kan komen drijven. Dus ook andere drijfveren spelen een rol.

Dewey komt het dichtst bij mijn ideaal: vanuit intrinsieke motivatie -al dan niet door praktijkervaring- ontwikkel je je tot een betrokken individu, of niet. Maar iedere groep, wel of niet betrokken bij het grotere geheel, of -zoals Thomas van Aquino het noemt- het algemeen welzijn, heeft toch gedeelde behoeften, zoals Hobbes veiligheid en zekerheid noemt. Dus in die gemeenschappelijke behoeften kunnen groepen elkaar toch weer vinden.

Het antwoord op de uitgangsvraag is ook ‘nee’. Want het gaat niet om de ‘goede burger’, maar om de ‘goede mens’. Wellicht moeten we burgerschapsonderwijs vervangen door ‘bildungsonderwijs’. Of liever maken we een ommezwaai in ons onderwijs. Meer focus op identiteitsvorming, sociale vaardigheden, kritisch denken, probleemoplossend vermogen etc., als geïntegreerd onderdeel van het curriculum.

Ik pleit ook voor meer ruimte voor diversiteit en het individu. En meer ‘agree to disagree’ in deze tijd van wij-zij-denken. Toen burgerschapsonderwijs in Europa werd vormgegeven voor ‘de burger’, lag de focus van het onderwijs op discipline in plaats van persoonlijke ontwikkeling. Dit is nog steeds merkbaar in het resultaatgerichte onderwijs van nu. Laat de focus weer meer gaan liggen op persoonlijke ontwikkeling, tot een ‘goed mens’ door maatschappelijke verbreding (voorbij de landsgrenzen) en op het opvoeden van een nieuwe generatie die vanuit zijn goed ontwikkelde kritische denkvaardigheden en probleemoplossend vermogen de vraagstukken van de toekomst aan kan. Een mens dat niet is opgevoed voor nu, maar is opgevoed voor morgen.

 

Literatuurlijst

Berding, J. (2011), John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap, een keuze uit zijn werk. Amsterdam: Uitgeverij SWP

Bundel (2005), Filosofie, De vroegmoderne tijd (17e en 18e eeuw): Descartes, Spinoza, Rousseau. Company of Books

Montaigne, M. de (2012), De essays. Amsterdam: Athenaeum-Polak & van Gennep

Nussbaum, M. (2013), Niet voor de winst. Amsterdam: Ambo|Anthos

Slagter, M., & Slagter, S. (2015), Leren Filosoferen. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff

Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie

Websites

Onderwijsinspectie (2017), Rapport over burgerschapsonderwijs en de maatschappelijke stage. https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2017/02/07/burgerschap-op-school

Noten

[i]Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 317

[ii] Montaigne, M. de (2012) De Essays. Blz. 211

[iii] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 176

[iv] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz 280 verwijzing naar voetnoot 32, blz. 828

[v] Essays, blz 199

[vi] Berding, J. (2011), John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz. 206

[vii] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz 206

[viii] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz 206

[ix] Berding, J. (2011), John Dewey, over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Blz. 53

[x] Störig, H.J. (2009), Geschiedenis van de filosofie. Blz. 177

[xi] Onderwijsinspectie (2017), Rapport over burgerschapsonderwijs en de maatschappelijke stage.

Emoji Challenge

Zin in het met een hoge funfactor bevorderen van mediawijsheid in de klas ? Doe de Emoji Challenge! Geschikt voor basisscholen (groep 5, 6, 7 en 8).

Zin in het met een hoge funfactor bevorderen van mediawijsheid in de klas ? Doe de Emoji Challenge! Geschikt voor basisscholen (groep 5, 6, 7 en 8).

Doel

Kinderen kunnen al jong zelfstandig een telefoon of tablet bedienen en daardoor zelf keuzes maken. De filmpjes, spelletjes en berichtjes roepen een scala aan emoties op: binnen enkele minuten gaan ze van het kijken naar een schattig jong poesje naar het ontvangen van een kattig appje van een vriendin.

Het is voor kinderen niet voldoende om feitelijke kennis te hebben van media, maar ook om zich bewust te worden van de emoties waar de media een beroep op doet. Wanneer zij zich bewust zijn van deze emoties, kunnen ze daarna leren om deze emoties op de goede manier in te zetten. Dit voorkomt dat zij zich niet zomaar emotioneel laten meeslepen tijdens hun mediagebruik. Een belangrijke kwaliteit in een tijd waarin kinderen steeds vaker en jonger autonoom (online) beslissingen moeten nemen, zonder toezicht of begeleiding van een volwassene.

De Emoji Challenge is een vrolijke wedstrijd waarbij kinderen op een speelse manier gaan nadenken over emoties. Kinderen zijn dol op emoji’s en gebruiken deze graag en vaak. Tijdens de Challenge gaat het erom te bedenken welke emoties de emoji’s uitdrukken. Dit is pittiger dan je denkt!

Samenvatting

De Emoji Challenge is een wedstrijd in de vorm van een -de naam zegt het al- Challenge, waarbij de leerlingen zoveel mogelijk emoji’s tekenen die een emotie uitdrukken. Een jury beoordeelt de verschillende groepsprestaties en roept de winnaar uit van de Emoji Challenge.

Wat heb je nodig?

Stiften & grote vellen papier

Voorbereiding

Leg de vellen papier op tafels verspreid door de klas en zorg dat iedereen uit de groep eromheen kan staan.

Deel de kinderen in groepen in, afhankelijk van de grootte van de klas bijvoorbeeld: ‘jongens tegen de meisjes’ of groepjes van 4 à 6 kinderen. Het is belangrijk dat ze allemaal tegelijk iets kunnen tekenen op het papier.

De les

Bespreek eerst de spelregels en wijs een jury aan (dit kun je ook zelf zijn).

De spelregels

  1. Teken zoveel mogelijk verschillende emoji’s op het vel papier
  2. Let op! De emoji’s moeten wel een emotie uitdrukken en die moet je aan de jury kunnen vertellen.
  3. Als je de jury geen emotie kunt vertellen, dan telt de emoji niet mee.
  4. Zodra het startsein klinkt mag je beginnen en bij het eindsignaal leg je je stift neer.
  5. De groep met de meeste verschillende emoji’s die een emotie uitdrukken is de winnaar.

 

Start de Challenge

  • Laat de kinderen om de tafel gaan staan met de vellen papier en de stiften in de aanslag en geef het startsein.
  • Laat ze ongeveer 8 à 10 minuten verschillende emoji’s tekenen. Laat het aan de groepjes zelf over om samen te werken of juist allemaal individueel zoveel mogelijk emoji’s te tekenen.

 

Voor de leerkracht

Er zijn verschillende emoties, zoals: vreugde, verrassing, boosheid, angst, verdriet en afkeer. De kinderen kunnen ze niet altijd heel specifiek benoemen, dus stimuleer ze zoveel mogelijk om de ‘emotie erbij te halen’. Een redelijke omschrijving? Een punt!

Er is altijd wel één groep die een drol-emoji tekent. Grappig genoeg is dit het Japanse teken voor geluk, dus als ze dat weten te benoemen: je gelukkig voelen of iets dergelijks, dan telt het mee. Weten de kinderen dit niet, laat ze dan raden voor extra punten.

Loop gezamenlijk alle vellen na, bijvoorbeeld door om de tafel te gaan staan of als hiervoor geen ruimte is de vellen op het bord te hangen. Laat ieder groepje de emoties vertellen bij de emoji’s. Schrijf met stift direct iedere punt op het vel, zo houd je ze uit elkaar.

Natuurlijk kunnen de andere kinderen meeluisteren als je dit klassikaal doet en bij hun beurt deze emoties allemaal weer opnoemen, soms hebben ze echter een andere uitleg bij dezelfde emoji die ook goed gerekend kan worden. Het herhalen van de emoties is goed voor de bewustwording. Je kunt de groepjes ook omstebeurt één emoji laten toelichten, waarbij ze een ándere emoji moeten toelichten. Hebben de andere groepen dezelfde emoji? Dan krijgen zij ook een punt. Dit versnelt het proces.

Alle emoji’s besproken? Tel de punten op en wijs het groepje met de meeste punten aan als winnaar van de Emoji Challenge!

Hoe leren we kinderen over democratie? Laat ze debatteren!

Democratie en debat
Debatteren = uitwisseling van ideeën

Vandaag kunnen we in Nederland stemmen. En of je nu voor of tegen het referendum bent, of je nu ‘ja’ of ‘nee’ gaat stemmen, het is fijn dat we in een democratisch land leven waar om je mening wordt gevraagd en je die mag geven. Dat dit voortvloeit uit het feit dat we in een democratie leven, kunnen we kinderen al van jongs af aan leren door ze te laten debatteren.

Democratie op scholen

De Onderwijsraad zei eerder in een persbericht ‘Werken aan democratie is een gemeenschappelijke opdracht voor alle scholen.’ Scholen zouden onder de noemer burgerschapsonderwijs aandacht moeten besteden aan democratie. Dit wordt door SLO onderverdeeld in 3 punten:

  1. Kennis van de democratische rechtstaat
  2. Democratisch handelen
  3. Democratisch basiswaarden

Een interessante manier om heel concreet de democratie te ervaren is oefenen in debatteren, waarbij de grondbeginselen van een democratie niet alleen worden uitgelegd, maar waarbij kinderen (en jongeren!) ervaren hoe het is om je te verdiepen in argumenten die recht tegenover je eigen mening staan. Door ze beurtelings voor en tegen te laten zijn, draait het niet meer om persoonlijke meningen, maar om de kunst van het debatteren zelf.

Hoe gaat dit in de praktijk?

De bovenbouwgroep (kinderen uit groep 7 en 8 van een basisschool in Den Haag) startte deze week met debatteren en voerde keurig volgens de regels een debat, maar o wat was het weer moeilijk om je te verplaatsen in de ‘andere kant’. Sommigen vonden het juist een uitdaging om er eigenlijk voor te zijn en dan te debatteren alsof ze tegen waren.

Na een korte oefening gingen we aan de slag met een debat over de zelfgekozen stelling: ‘leraren moeten met u worden aangesproken’. De stelling had meteen voor- en tegenstanders, dus werd het extra moeilijk om dan juist in het team van de tegenstander te worden geplaatst.

Argumenten voor: het is beleefder om ‘u’ te zeggen, je kent je leraar niet heel goed en dan is het beter om ‘u’ te zeggen, je leraar is ouder en tegen oudere mensen is het beleefder om ‘u’ te zeggen. Wel bedacht deze groep dat als je iemand beter leert kennen, ook een leraar dus, dat het dan ok is om ‘je’ te zeggen.

De tegenargumenten waren: met ‘u’ is er meteen een afstand tussen jou en de ander en dat is niet fijn, ook niet bij een leraar. Je kent je leraar al een tijd en dus kun je prima ‘je’ zeggen. Tegen andere kinderen die je niet kent zeg je ook niet eerst ‘u’ en als de hele klas ‘je’ zegt tegen de leraar, dan kun je dat zelf ook wel doen.

De jury (één van de leerlingen) vond de manier waarop argumenten naar voren werden gebracht en het weerleggen van de argumenten van de ander bij beide partijen heel sterk, maar kon desondanks een winnaar kiezen. Deze gespreksleider kon zich daar -geheel onpartijdig natuurlijk- volledig bij aansluiten. Volgende keer een nieuw debat met een stelling waar je ‘u’ tegen zegt!

Zelf aan de slag?

Wil je kinderen of jongeren bij jou op school ook met elkaar laten debatteren? Ik kom graag langs om het te faciliteren! Meer info over leren debatteren op de website van Burgerschap in de klas.