Kan een appel denken?

kan een appel denken

De kleuters bedachten wie en wat allemaal kan denken. Een drukke moeder kan niet denken, die heeft het te druk en is afgeleid door haar kinderen. Een ijsbeer denkt wel veel na. Over ijs, water, zwemmen en natuurlijk de vissen en zeehondjes die hij op gaat eten (daarbij trokken een paar kinderen een héél sip gezichtje!).

Een gamend kind denkt na over hoe hij het spel kan winnen. Een computer kan helemaal niet nadenken! Het idee alleen al. Hoe weet een computer dan het antwoord als je een vraag intikt of inspreekt bij bijvoorbeeld Siri? Tja, dat kan waarschijnlijk niet zonder denken, dus dit werd een twijfelgeval. Een dromend en slapend kind denkt heel diep na, namelijk over welke dromen er gedroomd gaan worden, dromen op bestelling dus.

Tot slot werd er lang nagedacht of een appel na kan denken. Natuurlijk niet! Dat was de eerste reactie. Hoe weet een zaadje dan hoe het een appelboom kan worden? Of een appel wanneer het de boom kan loslaten om op de grond te vallen als het rijp is? Daar kwamen we niet uit, dus we hebben afgesproken dat we dat allemaal aan een appel gaan vragen op de fruitschaal.

Wat kun je zeker weten?

wat kun je zeker weten?

De  kinderen uit groep 5 dachten na over de vraag wat je allemaal zeker kunt weten. Een filosofisch vraagstuk, omdat je bij alles je twijfels kunt hebben. Een paar kinderen wisten bijvoorbeeld zeker dat de aarde rond is. Want ze hadden een foto gezien. Als startpunt hadden we echter een foto bekeken van de Hubble die een smiley had gefotografeerd, waarbij de meeste kinderen vonden dat deze moest zijn gefotoshopt.

Kon die foto van de aarde niet ook zijn gemanipuleerd? Had íemand van ons wel eens in een raket gezeten en de aarde met eigen ogen van een afstand bekeken? En toen deze juf een pen op de grond legde, begon deze niet te rollen. Als de aarde rond was, dan zou dat toch zeker moeten?

De les zat niet alleen in de vraag, maar ook in het blijven bedenken van argumenten die steeds opnieuw weerlegd werden door de groep. Sommige kinderen voelden dat aanvankelijk als een afwijzing van hun gedachten. Toen we echter door bleven denken en bij alles vraagtekens plaatsten, uiteraard met de nodige humor én met daarbij de toelichting dat dit is wat filosofen ook doen, kregen ze er steeds meer plezier in. Dat kon je merken doordat ze steeds meer durfden te spelen met ‘gekke’ voorbeelden en argumenten, waardoor het vooral een oefening werd in argumenteren en doorvragen.

Wereldwijd ken ik wel wat hooggeplaatste mensen die ook wel zo’n oefening kunnen gebruiken. 😉

Wat is een stoel?

wat is een stoel?

Gisteren hebben de kleuters zich verwonderd over stoelen. Dit is een heerlijke les, waarbij een thema uit de taalfilosofie centraal staat: hoe weet je hoe iets heet? We staan niet snel stil bij zo iets eenvoudigs als een stoel, maar als je hier samen met kleuters over praat, dan blijkt het minder eenvoudig dan je denkt (probeer het zelf ook eens…).

Nadat de kleuters hadden vastgesteld wat een stoel is (namelijk: 4 poten en een vierkantje om op te zitten), hebben we de grenzen ervan verkend. Want hebben alle stoelen 4 poten en een vierkantje om op te zitten? Deze tafel bijvoorbeeld? Die heeft ook een vierkantje en 4 poten, maar is het een stoel? “Nee, want bij een stoel hoort ook een leuning!” O, mijn bank dus! “Nee, dan is het vierkantje geen vierkantje meer.”

Na het bekijken van een aantal bijzondere en ongewone stoelen (dus zonder poten en een vierkantje…) mochten ze zelf een stoel bedenken die ze nog nooit eerder hadden gezien. Dat werden fantasierijke creaties: een glijbaanstoel, een stoel met eten en drinken erin -zodat je nooit meer op hoeft te staan- en een schietstoel om naar de maan te reizen.

Tijdens het tekenen gaat het filosoferen ongemerkt door. Had iemand weleens een vliegende stoel gezien? Nee, nog nooit. Maar in een vliegtuig dan? “Dat is geen vliegende stoel juf!” Waarom niet? Je zit in een vliegtuig toch op een stoel? “Jawel, maar daar zit dan nog iets omheen, namelijk het vliegtuig, dus dat is dan geen vliegende stoel.” En een stoel hangend onder een luchtballon? “Ja, maar dat kan niet, want daar is ook vuur!” Een zwemmende stoel dan? “Bestaat niet, juf!” Hebben jullie op het strand dan nooit zo’n opblaasstoel gezien? “Ja, maar dat is geen zwemmende stoel, maar een plastic stoel!” En als je een stoel vastbindt op de rug van een walvis? Dat was grappig én dat zou eventueel wel een zwemmende stoel kunnen zijn…

…maar niet als je dan per ongeluk op het gaatje gaat zitten waar de walvis water uit spuit, dan heb je namelijk tóch een vliegende stoel!

Kleuters filosoferen over de omgekeerde wereld

Wat was het weer genieten met de kleuters. Al bij binnenkomst bevonden zij zich -zonder dat dit was verteld- in de ‘omgekeerde wereld’. Een boek werd achterstevoren voorgelezen, met de achterkant van de pen werd geschreven en de deur werd ‘dicht’ gedaan (door hem wijd open te zetten).

Naast veel schaterende kleuters leverde dit ook verwarring op. Ook ontdekten ze na een paar minuten een patroon in alle rare dingen die de juf deed en al gauw riep één kleuter: “dit is de omgekeerde wereld!”. Toen konden we pas echt van start. Want in de omgekeerde wereld gebeurt er van alles: je drinkt ’s ochtends je spaghetti uit een glas en eet je thee van een bord, je trekt eerst je badjas aan en stapt daarna onder de douche, de bus rijdt ondersteboven op de wolken en alle passagiers vallen eruit (maar gelukkig staan er trampolines op de grond om ze op te vangen). En iedereen wilde géén omgekeerde wereld tekenen, dus de kinderen hoefden géén blaadje…

De kern van dit gedachtenexperiment is dat je je omgeving beter begrijpt als je je probeert voor te stellen hoe het anders zou kunnen zijn. Je krijgt inzicht in je eigen situatie door je een andere situatie voor te stellen met andere regels en na te gaan wat er allemaal nodig is om die andere situatie te realiseren. Je observeert op een speelse manier dus eigenlijk je eigen gedrag en die van je omgeving. Deze kleuters konden zich heel goed inleven in de omgekeerde wereld!

Een week later vertelde één kleuter: “we doen het nu iedere avond aan tafel, juf!”  Wat? “De omgekeerde wereld!”

Gedachten zijn geen feiten, wat je googled ook niet (altijd)…

feit of mening?

Onlangs filosofeerde ik met kinderen uit groep 7 over de verschillen tussen feiten en meningen. Vanuit de startvraag: “Is jouw mening waar?” werden zinnen gerubriceerd als ‘feit’ of ‘mening’. Aanvankelijk werd bedacht dat je eigen mening en gedachten waar zijn. Zelfs dé waarheid, namelijk voor jezelf, zoals bij “ik vind spruitjes vies” of een meningsverschil: “dit is míjn waarheid”.

De opdracht was vervolgens om de zinnen van medeleerlingen neer te leggen op de tafel ‘feit’ of ‘mening’. Toen bleken een heleboel zinnen ineens niet meer zo waar, want voorgelezen door een andere leerling klopte het feit “ik ben Lisa” niet meer. Tijdens het neerleggen werden de zinnen besproken en ontdekten de kinderen dat een feit niet zo eenvoudig is, evenals het verschil tussen een mening en ‘eigen waarheid’. Deze groep vond aan het eind van het gesprek zelfs dat je eigen waarheid helemaal niet bestaat. Want iets is alleen een feit of een waarheid als iedereen het vindt, niet als jij dat als enige vindt, want dan hoeft het helemaal niet waar te zijn.

Voor de kinderen die filosofeerden over dit onderwerp bleven de feiten en meningen bewust dichtbij henzelf. Je kunt dezelfde denkoefening echter ook doen grotere schaal, met ‘feiten’ en ‘meningen’ verkondigt in de media. ‘Alternative facts’ mag dan een nieuwe term zijn, het fenomeen bestaat al lang. Dat is geen probleem, zolang we ons ervan bewust zijn. (Was dat pretpark van afgelopen zomer écht ‘de grootste speeltuin van de wereld’?)

Een recent onderzoek uit Engeland, van de Britse communicatie-autoriteit Ofcom, laat zien hoe kinderen denken over informatie die zij krijgen via internet. Hoewel sommige kinderen wel enigszins kritisch zijn over de resultaten van zoekmachines, denkt ruim één op vier van de kinderen in de leeftijd tussen 8 en 15 jaar dat alle resultaten die je krijgt via Google te vertrouwen zijn. Álle resultaten, want een groot deel herkent Google ads niet als advertentie.

Met filosoferen laat je kinderen de verschillen onderzoeken met alledaagse voorbeelden en laat je ze de verschillen ervaren. Door kinderen zélf kritisch te laten nadenken en zélf te laten ontdekken wat de verschillen zijn. Vanuit die ervaring kun je vervolgens het gesprek aangaan over het gebruik van feiten en meningen in de media.

Wil je ook met je kind(-eren) leren filosoferen? Over feiten en meningen of andere vragen? Thuis of in de klas? Kom naar de workshop ‘Leren filosoferen met kinderen’ in Den Haag op zaterdagmorgen 23 september.

NB De inspiratie voor deze les komt uit “Ik zag 2 beren filosoferen”: een aanrader!

De afbeelding is een kaart die als bijlage zat bij het tijdschrift Flow.

Kun je iemands toekomst stelen?

toekomst
“Nu is nu en het volgende moment begint de toekomst”

Kun je iemands toekomst stelen? Daar dachten leerlingen uit groep 7 over na. Dit kon, aldus een leerlinge, want een tante had een ernstig ongeluk gekregen en werd blind, hierdoor kon zij geen hondentrainer worden. Tenminste dat dacht ze, maar uiteindelijk werd ze het toch wel.

Een andere leerling reageerde direct met de opmerking dat je alleen iemands toekomst kunt stelen als je iemand vermoordt, want zelfs al ben je blind geworden, je leeft nog en dus heb je nog een toekomst. Nu is nu en het volgende moment is het al toekomst.

Dit geldt ook voor iemand die in de gevangenis belandt. Hij doet misschien niet wat hij wilde doen, maar leeft nog en heeft dus een toekomst.

Het gesprek ging zo nog even door, totdat de leerlinge die als eerste het woord nam opmerkte dat zij van gedachten was veranderd. O ja? “Ik dacht dat je iemands toekomst kon stelen, zoals bij mijn tante, maar daar ben ik het nu niet meer mee eens. Want het klopt eigenlijk wel dat je nog steeds een toekomst hebt, ze is zelfs nog hondentrainer geworden! Alleen als je leven eindigt, eindigt je toekomst.”

Al bijna 4 jaar filosofeert Filosoferen in de klas wekelijks op een Christelijke Montessorischool met kinderen uit groep 2, groep 4 en groep 7. De vraag komt uit de Praatprikkels van de Filosofiejuf.

Filosoferen met kleuters: regenworm = natuur

regenworm
Een regenworm is natuur

Filosoferen met kleuters over natuur, een interessant thema met iedere keer weer een andere wending: dit was een gesprek vol kleuter-logica.

“Zand is natuur, want je hebt overal in de natuur zand, grond is ook zand.”
“En zandkorrels zijn hele kleine stukjes schelp, schelpen zijn ook natuur, dus daarom is zand ook natuur.”
“Dieren zijn natuur, maar alleen dieren op het land.”
Is de zee dan geen natuur?
“Nee, dat is water.”
“Het kan wel juf, want in de zee zijn plantjes en zeesterren en vissen.”
“Vissen zijn geen natuur.”
Maar vissen zijn toch ook dieren?
“Nee, dieren zijn alleen natuur als ze kunnen lopen.”
Dus een krab in de zee is wel natuur?
“Ja, want die kan lopen en die loopt ook de zee uit, dus is het natuur, net als een schildpad.”
En een regenworm dan? Die kan niet lopen.
“Nee, maar een regenworm komt uit de grond en we hebben toch net verteld dat grond ook natuur is? Dan is een regenworm dus ook natuur!”

(Na het bekijken van een foto van een auto die wordt volgetankt)

Is dit natuur?
“Nee, daar wordt de auto opgeladen.”
Je kunt een auto inderdaad opladen met een stekker, maar hier wordt getankt.
“O ja, dan wordt de auto ook opgeladen met iets erin.”
Bedoel je benzine?
“Ja.”
Is dat natuur? Waar komt benzine vandaan?
“Uit de zee.” “En uit de grond!”
“O jee, dan hoop ik dat er geen regenwormen in de auto komen…”

Wil jij ook filosoferen met kinderen? Filosoferen in de klas heeft regelmatig workshops voor opvoeders op een centrale locatie in Den Haag. Wil je de data voor 2017 weten? Vul het contactformulier in en ik houd je op de hoogte.

Wil je dat ze op de school van jouw kinderen ook het kritisch denken verder ontwikkelen door te gaan filosoferen? Laat het me weten via het contactformulier en ik neem contact op met de school!

[contact-form to=’info@filosoferenindeklas.nl’ subject=’Reactie op Bloggen in de klas’][contact-field label=’Naam’ type=’name’ required=’1’/][contact-field label=’E-mailadres’ type=’email’ required=’1’/][contact-field label=’Reactie’ type=’textarea’ required=’1’/][/contact-form]

Socratische houding of hard praten?

hard praten
Hard praten of een socratische houding?

Begin deze week zag ik een –ironisch bedoeld- bericht van De Speld voorbij komen op Facebook: ‘Martin praatte heel hard en nu heeft hij gelijk’. Steeds vaker zie ik dat het blijkbaar loont om heel hard te praten of harde taal te gebruiken. Het kan ook anders. Laten we een generatie opvoeden die het niet nodig vindt om hard te communiceren (en niet alleen qua volume!) en heeft geleerd te communiceren en reageren vanuit een socratische houding.

“Hoog opgeleide ouders zijn mondiger” en daarmee krijgen zij sneller een ander advies voor hun kind dan minder mondige ouders (recent in het AD). In het politieke debat gaat het af en toe hard tegen hard en drogredeneringen vliegen geregeld om je oren. Klanten die harde woorden schrijven als review na een mislukte vakantie krijgen korting of een bloemetje. Hoe luider je je ongenoegen laat blijken bij de servicebalie in een winkel, hoe harder het personeel haar best doet om het op te lossen. Als we met en tegen elkaar steeds harder gaan praten, raken we straks in al het kabaal onze stem kwijt. De filosofen Martha Nussbaum en John Dewey (1859-1952) hadden hier zo hun gedachten over.

Nussbaum: cultiveer menselijkheid d.m.v. 3 vermogens

In het boek ‘Niet voor de winst, waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft’ pleit Nussbaum voor meer liberal arts (geesteswetenschappen, zoals filosofie en filosoferen) op school. Volgens Nussbaum zijn er drie vermogens van groot belang voor het cultiveren van menselijkheid in de wereld van vandaag.

  1. Allereerst het vermogen tot kritisch onderzoek van jezelf en van je eigen tradities, waarbij je er nooit vanuit mag gaan dat iets waar is alleen maar omdat dit nu eenmaal altijd al zo was. Wat je hiervoor nodig hebt is het vermogen om logisch te redeneren, waarmee je de traditie kunt uitdagen. Socratisch redeneren (in het onderwijs) is daar in haar ogen voor nodig.
  2. Het tweede vermogen is dat burgers zichzelf niet slechts als burgers van een bepaalde regio of groep moeten zien, maar vooral als “menselijke wezens die op grond van erkenning en gedeelde belangen met alle andere menselijke wezens verbonden zijn, want de wereld om ons heen is onmiskenbaar internationaal.” Dit is in haar ogen belangrijk omdat we daarmee mogelijkheden tot samenwerking kunnen zien en we ons verantwoordelijk gaan voelen ten opzichte van medeburgers die ver weg wonen [of naar ons toekomen…MS].
  3. Het derde vermogen noemt zij de “narratieve verbeelding”, waarmee ze het vermogen bedoelt om je te kunnen verplaatsen in de schoenen van een ander. Overigens niet door je er alleen mee te identificeren, maar door het verhaal ook te beoordelen vanuit de eigen idealen en ambities.

We kunnen onze kinderen zich hierin laten ontwikkelen door ze kritisch te leren denken.

Dewey: ontwikkel kritische vermogens

Voor Dewey was het kernprobleem van conventionele onderwijsmethoden dat ze een passieve houding aanmoedigen. Scholen werden (en worden?) behandeld als plekken voor luisteren en in zich opnemen, en luisteren is altijd belangrijker geacht dan analyseren, waardevolle elementen uitziften en actief problemen oplossen.

Wanneer kinderen worden geacht om slechts passief te luisteren, leidt dat er niet alleen toe dat hun actieve kritische vermogens niet tot ontwikkeling komen, maar kunnen die zelfs verzwakt raken. In plaats van alleen te luisteren, dient het kind daarom te dóen: zelf dingen uitproberen, zelf denken en vragen stellen. Opvoeding en onderwijs vormden voor Dewey “het laboratorium waarin filosofische onderscheidingen concreet worden en worden getest”, zoals hij het zelf in Democracy and Education omschreef.

Je kunt jonge mensen stimuleren tot een actieve houding door ze in hun leven, binnen en buiten het klaslokaal, kennis te laten maken met echte vraagstukken die uit het leven zijn gegrepen. Zo wordt de socratische houding en het socratische vragenstellen “niet alleen een intellectuele vaardigheid, maar een aspect van een praktisch engagement, een stellingname tegenover de problemen van het echte leven.”, aldus Dewey.

Wat houdt die socratische houding eigenlijk in?

Het belangrijkste is een houding van het niet-weten. Je hebt de wijsheid niet in pacht, je bent bereid te onderzoeken hoe het in elkaar zit en je eigen ideeën over een onderwerp kunnen veranderen. Socratische gesprekken zijn een gezamenlijk onderzoek met als startpunt een concrete ervaring. Er wordt niet zozeer gezocht naar een oplossing voor een kwestie, maar eerder gereflecteerd op (eigen) denkbeelden. Tijdens een socratisch gesprek kun je inzicht krijgen in eigen onderliggende opvattingen die jouw wereld op een bepaalde manier kleuren. Door zo’n inzicht kan jouw mening over een onderwerp ineens veranderen (of juist niet).

Nussbaum: “Geesteswetenschappen leveren geen geld op. Ze doen alleen maar iets wat veel kostbaarder is dan dat: ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is, ze brengen mensen voort die in staat zijn om andere mensen te beschouwen als volledige mensen, met eigen gedachten en gevoelens die respect en inlevingsvermogen verdienen, en landen die in staat zijn om angst en argwaan te overwinnen en te kiezen voor een welwillend en redelijk debat.”

Dus laat je stem zeker horen, door te overtuigen op basis reflectie, daaruit voortvloeiende inzichten en argumenten in plaats van volume…

workshop socratische gesprekstechnieken
Schrijf je in voor de workshop!

#Onderwijs 2032: kritisch leren denken… door filosoferen!

In het onderwijsadvies 2032 veel aandacht voor kritisch leren denken. Filosoferen ís kritisch denken!

Kritisch denken 21st Century SkillOp 23 januari jl. verscheen het eindadvies van het Platform Onderwijs 2032. Het resultaat van een maatschappelijke dialoog over de inhoud van het onderwijs. Het belangrijkste dat hieruit naar voren komt is ‘dat de inhoud van het onderwijs in veel opzichten anders moet om leerlingen de kennis en vaardigheden bij te brengen die ze voor hun toekomst als volwassenen in de eenentwintigste eeuw nodig hebben.’  Eén van de genoemde vaardigheden is kritisch leren denken, wat ook wel genoemd wordt als ’21st Century Skill’. Een instrument dat je hiervoor kunt gebruiken: filosoferen met de leerlingen.

Kritisch denken: meer dan een vakoverstijgende vaardigheid

In het eindadvies van het Platform onderwijs 2032 komt een drietal woorden regelmatig terug: onze kinderen en jongeren moeten ‘kritisch leren denken’. Het wordt apart genoemd als een vakoverstijgende vaardigheid, maar is volgens het advies ook belangrijk bij burgerschapsonderwijs, digitale geletterdheid (geformuleerd als ‘mediawijs worden’) en kennis van de wereld (‘vaardigheden om de wereld om hen heen te begrijpen en mede gestalte te geven’). Onder leervaardigheden valt ook dat leerlingen leren reflecteren, wat eigenlijk hetzelfde is als kritisch leren denken over jezelf.

Filosoferen ís kritisch denken

Filosoferen ís eigenlijk ‘kritisch leren denken’ en wat fijn is: het kan overal over gaan! Bij filosoferen denken leerlingen samen na over vragen waar niet direct een antwoord op is. Die worden gezamenlijk onderzocht; een vraag als ‘waar begin ik?’ bijvoorbeeld. Tijdens het filosoferen proberen leerlingen hun gedachten zo goed mogelijk onder woorden te brengen. Ze leren redeneren, argumenteren en voor hun mening uit te komen. Ze leren ook dat anderen het daar niet altijd mee eens zijn en dat dat helemaal niet erg is. En niet onbelangrijk: leerlingen vinden het ontzettend leuk om te doen!

Praktijkvoorbeeld: filosoferen op een Montessorischool in Den Haag

Al ruim 3 jaar wordt er het hele jaar door gefilosofeerd op De Abeel in Den Haag met kinderen uit de onderbouw, middenbouw en bovenbouw. Filosoferen kan al vanaf groep 2 in het basisonderwijs en is in te zetten als vakoverstijgende activiteit of toegespitst op thema’s (binnen een vakgebied), zoals o.a. natuur, democratie, taal, wetenschap, media of identiteit.

Leerlingen van De Abeel uit groep 7 verkenden het begrip identiteit aan de hand van kenmerken van een opa of oma. Ze ontdekten tijdens het filosoferen het onderscheid tussen in- en externe kenmerken (‚mijn opa moppert’ en ‚hij heeft een bril’). En andere kenmerken die een onderdeel vormen van je identiteit, zoals uit welk land je komt.

Meetbaar? Lastig. Merkbaar? Jazeker!

Is het effect van regelmatig filosoferen met leerlingen meetbaar? Lastig, maar niet onmogelijk. Is het merkbaar? Jazeker! Na een paar lessen verdwijnt bij de wat meer timide leerlingen de aanvankelijke verlegenheid omtrent de eigen gedachten. Dus als de buurman of buurvrouw iets zegt, dan zijn anderen het daar eerst vaak mee eens. Hierin maken de kinderen in de loop van de gesprekken een ontwikkeling door. Dan zie je dat ze ook nieuwe en andere dingen gaan toevoegen: hun eigen gedachten, ook al zijn die anders dan de buurman/vrouw. Ze durven het sneller met elkaar oneens te zijn en als ze gepassioneerd raken door het gesprek, dan wordt vol vuur iets nieuws aangedragen of iets weerlegt dat net is geopperd. Je ziet sommige kinderen groeien als ze merken dat de groep daar vervolgens serieus op in gaat.

Bij een vraag als ‘waar begin ik?’ wordt met elkaar gekeken naar een paar voorwerpen, zoals een schelp, een elastiekje, iets dat stuk is, een lego-bouwwerkje of een stuk touw. Zo zien de leerlingen dat er verschil zit in hoe je naar iets kijkt: het fysieke begin (‘dit is het begin van de schelp’, ‘nee, dit!’), de verschillende onderdelen (‘lego begint bij het blokje’, ‘het is pas iets als er iets van gemaakt is’, ‘het begint bij de afbeelding op het doosje’) of het eerste idee (‘een kunstwerk begint in het hoofd van de kunstenaar’, ‘nee, pas als de kwast op het doek komt’). [Naar een lesidee uit Praxis ‘Leren Doordenken’.]

Alle leerlingen kunnen filosoferen

Filosoferen is niet alleen voor de ‘slimmere’ leerlingen. Iedereen voegt iets toe aan de gesprekken. De praktisch ingestelde kinderen brengen iets naar voren en de meer abstracte denkers geven er een nieuwe wending aan (of andersom natuurlijk). Een ander is weer heel goed in het ingaan op iets dat eerder is gezegd en weet dit zelfs te betrekken bij latere argumenten. Weer een ander houdt het groepsproces in de gaten. Zo kan het filosoferen iedere keer weer anders verlopen. En dat maakt het een feest om met de leerlingen op avontuur te gaan door de wondere wereld van hun gedachten…

Meer weten over filosoferen of een workshop volgen? Kijk op de site!

Filosoferen met kinderen: 10 redenen om nu te beginnen

Kritisch leren nadenken vind ik belangrijk, maar is dat de enige reden om te gaan filosoferen met kinderen & jongeren? Uit verschillende onderzoeken zijn de volgende ontwikkelpunten naar voren gekomen, want naast het feit dat kinderen en jongeren het heel erg leuk vinden om met elkaar in gesprek te gaan, kan het filosoferen (op de langere termijn) ook veranderingen teweeg brengen bij de kinderen of jongeren zelf.

10 ontwikkelpunten

Zij:

  1. Krijgen meer zelfvertrouwen.
  2. Leren goed naar elkaar te luisteren.
  3. Scherpen hun cognitieve vaardigheden aan, zoals redeneren, begrip van het onderscheid tussen het deel en het geheel en herkennen van tegenstellingen.
  4. Leren dat denkbeelden van anderen ook interessant zijn, ook al is dit niet perse een eigen denkbeeld, met als gevolg (meer) tolerantie voor mensen met een andere mening.
  5. Vergroten hun vermogen om verschillen te verwelkomen, in plaats van zich hierdoor bedreigd te voelen.
  6. Leren inzien wat de voordelen zijn van de waarheid vertellen.
  7. Kunnen een moediger houding aanleren, door in gesprekken ervaring op te doen met het opperen van tegengestelde meningen.
  8. Gaan zelf verder nadenken of doorpraten over de besproken thema’s.
  9. Onderzoeken filosofische veronderstellingen achter kunst, wetenschap, wiskunde, maatschappijwetenschappen en taal en kunnen door meer begrip en het leggen van verbanden ertussen hun prestaties op deze gebieden verbeteren.
  10. Worden in staat gesteld filosofische veronderstellingen achter bijvoorbeeld politiek en reclame te onderzoeken, hierdoor gaan ze beter begrijpen wat begrippen als reclame en politiek inhouden.